Mannen van de daad

Tientallen jaren studie heeft de Amerikaanse historicus Robert Paxton samengebald in een beknopt en helder boek over het fascisme. Hij wil niet laten zien hoe het fascisme werd bedacht of eruitzag, maar hoe het werkte. Om het te begrijpen en om het te kunnen bestrijden.

Staat het spook van het fascisme weer voor de deur? In ieder geval is de term als scheldwoord weer helemaal terug, en niet alleen in wilde discussies op internet. Wie komt er eigenlijk niet voor het etiket in aanmerking? George Bush die in het kader van de oorlog tegen het terrorisme de burgerrechten buitenspel zet en de conventies van Genève niet van toepassing verklaart op Afghaanse en Iraakse krijgsgevangenen. Of toch eerder Bin Laden en zijn metgezellen met hun radicale afwijzing van westerse waarden en verheerlijking van geweld. Dichter bij huis kreeg Pim Fortuyn de vergelijking met Mussert en Mussolini in de schoenen geschoven. Door concurrerende politici en door journalisten, die na de moord op Fortuyn een `haatzaai'-aanklacht aan hun broek kregen (waaronder de redactie van deze krant). Maar ook historici vergeleken in Historisch Nieuwsblad van juni 2002 Fortuyns gedachtegoed met dat van Mussert. Overeenkomsten: rancune tegenover het politieke establishment en de media, een messiaanse opvatting van leiderschap en afkeer van vreemdelingen.

Het probleem met deze etikettenplakkerij is dat historici het nog altijd niet eens zijn over een definitie van wat fascisme nu precies ís. Nationalisme, intolerantie en autoritair leiderschap moeten een plaats krijgen, dat is wel duidelijk, maar welke elementen mogen verder niet ontbreken? Is het fascisme een revolutionaire of juist conservatieve beweging? Zijn het Duitse nazisme en Italiaanse fascisme in essentie aan elkaar gelijk of verschillend?

In zijn nieuwe boek The Anatomy of Fascism schrijft de Amerikaanse historicus Robert Paxton dat het vrijwel onmogelijk is om het verschijnsel onder één noemer te vangen, omdat het fascisme in verschillende fasen van zijn historische ontwikkeling fundamenteel van karakter is veranderd. Het grootste deel van zijn boek wordt in beslag genomen door het in kaart brengen van die fasen. Paxton houdt zich nauwelijks bezig met de kenmerken van het `fascistisch minimum' (een term van de omstreden Duitse historicus Ernst Nolte), maar beschouwt het fascisme als een proces en een `systeem van relaties'.

Paxton (1932) doceerde tot zijn emeritaat aan de universiteit van Columbia. Hij werd begin jaren zeventig bekend met zijn baanbrekende studie Vichy France. Old Guard and New Order. In dat boek rekende hij af met de mythe dat het collaborerende Vichy-regime in Frankrijk uitsluitend van buitenaf door de Duitsers was opgelegd. Hij liet zien dat Vichy óók voortkwam uit interne conservatieve onvrede met de Franse republiek. Zijn visie was aanvankelijk omstreden, maar maakte uiteindelijk school. In Frankrijk wordt nu zelfs gesproken van de `révolution paxtonienne'. Later publiceerde hij boeken over Vichy en de jodenvervolging en over de opkomst van het fascisme op het Franse platteland. Hij trad in 1997 op als getuige-deskundige in het proces tegen Maurice Papon, die onder Vichy verantwoordelijk was voor de deportatie van joden uit de Gironde.

Paxton heeft nu in The Anatomy of Fascism vele jaren studie samengevat in een handzaam en zeer leesbaar boek met een essayistische aanpak. Hij plaatst zijn onderwerp resoluut terug in de politieke geschiedenis. De laatste jaren is het vooral in de mode om de culturele en esthetische aspecten van het fascisme te bestuderen, met studies over bijvoorbeeld de `representatie' van het lichaam of van de vrouw in fascistische propaganda. Ook de rol van intellectuelen bij de vorming van het fascistisch wereldbeeld krijgt meer aandacht. Het fascisme was meer dan De nihilistische revolutie van het hersenloze tuig, die Herman Rauschning al voor de oorlog beschreef.

Paxton heeft vanzelfsprekend notie genomen van de recente ontwikkelingen in de geschiedschrijving. Zo noemt hij het fascisme van alle politieke stromingen `visueel het meest zelfbewust'. Ook de rol van intellectuelen heeft zijn aandacht. Maar, stelt hij, zonder de `men of action', de fascistische leiders die met die ideeën van intellectuelen aan de haal gingen, zou het fascisme niet veel meer dan een curiosum zijn gebleven. Een bezwaar tegen veel culturele studies is dat het fascistische `theater' wel wordt beschreven, maar dat niet duidelijk wordt gemaakt wat precies de invloed ervan was. Paxton wil vooral weten `hoe fascisme werkt' en analyseert de politieke processen die tot het succes, dan wel het falen, van fascistische partijen hebben geleid. In Franse vertaling heet zijn boek Le fascisme en action. Die titel dekt de lading eigenlijk beter dan The Anatomy of Fascism.

Over het fascisme zijn biblotheken volgeschreven, maar Paxton onderscheidt zich door zijn verhelderende verdeling van de geschiedenis van het fascisme in vijf fasen: het ontstaan van de bewegingen, het wortel schieten in het politieke systeem, de greep naar de macht, het uitoefenen van de macht en ten slotte de lange termijn waarin een fascistische regime radicaliseert òf afsterft. Dat lijkt een open deur. Maar Paxtons model scherpt de blik voor niet-succesvolle vormen van fascisme, die niet voorbij de eerste fase zijn gekomen, zoals in Engeland en Frankrijk. Alleen Hitlers Duitsland en Mussolini's Italië hebben alle vijf fasen doorlopen. Paxton laat duidelijk de kloof tussen woord en daad in de verschillende fasen zien, vooral als groeperingen eenmaal aan de macht komen. De rol die zowel tegenstanders als bondgenoten spelen is volgens hem cruciaal.

Paxton heeft een duidelijke morele bedoeling met zijn boek: de fasen zijn mede bedoeld als hulpmiddel om hedendaagse fascistische gevaren te onderkennen. Is een populistische dan wel extreem-rechtse beweging bezig wortel te schieten in het politieke systeem? Hoe ver verwijderd is een politieke groepering van een greep naar de macht? De meeste aandacht besteedt hij aan het klassieke fascisme in Italië en Duitsland, maar aan het eind van het boek neemt hij ook hedendaagse populistische bewegingen de maat.

Paxton erkent dat intellectuelen vooral in de eerste fascistische fase (ontstaan) en de laatste (radicalisering) een cruciale rol hebben gespeeld. Dat geldt speciaal voor de afwijzing van de waarden van de Verlichting die in de late negentiende eeuw in Europa plaats vond. Liberale idealen als de rede, individuele vrijheid en natuurlijke menselijke harmonie werden van hun voetstuk gestoten. Daarvoor in de plaats kwam sociaal-darwinisme, de esthetica van het instinct en geweld, nationalisme en racisme. Dat maakt uiteenlopende denkers als Nietzsche en Sorel niet verantwoordelijk voor het ontstaan van het fascisme, maar wel voor de opening van een `politieke ruimte' waarin het fascisme kon opbloeien. `Intellectuelen maakten het fascisme denkbaar', schrijft Paxton.

Een tweede noodzakelijke voorwaarde voor het ontstaan van die ruimte, waren de killing fields van de Eerste Wereldoorlog. De slachtpartijen van de loopgraven hadden de liberale waarden en een hele generatie politieke leiders in diskrediet gebracht. Rond de Eerste Wereldoorlog vond volgens Paxton een emotionele aardverschuiving plaats. Tot dat moment was links de natuurlijke thuishaven geweest voor wie boos en ontevreden was. Nu ontstond er een rechts alternatief, waar met name de jeugd gevoelig voor was. Het fascisme was al denkbaar voor 1914, praktisch haalbaar werd het pas na 1918.

Fascisten speelden in op de angst dat de organische Gemeinschaft zou worden vervangen door een kille, mechanische Gesellschaft en dat grote historische naties door decadentie en zelfgenoegzaamheid ten onder zouden gaan; angsten die ons nog altijd niet vreemd zijn. Om hun achterban te mobiliseren was het aanwijzen van een zondebok noodzakelijk. Dat konden joden zijn maar ook andere minderheden, socialisten, intellectuelen en avant-garde kunstenaars. Paxton maakt geen fundamenteel onderscheid tussen het biologisch racisme van de nazi's en het cultureel-historisch bepaalde nationalisme van het Italiaanse facisme. Volgens Paxton komt de legitimering van geweld tegenover een gedemoniseerde interne vijand `dicht bij het hart van het fascisme'.

Om wortel te kunnen schieten in het politieke systeem, is echter méér nodig. Het bestaande democratische stelsel moet eerst ernstige gebreken vertonen. Paxton wijst erop dat de landen met het meest ontwikkelde democratische stelsel ook als eerste te maken kregen met een serieuze antidemocratische backlash (vooral Frankrijk). Een andere voorwaarde is een sterke, groeiende socialistische partij. Pas waar sociaal-democraten hebben deelgenomen aan de regering, en dus ook een deel van hun kiezers en van de intellectuelen hebben teleurgesteld, ontstaat ruimte voor fascisme.

Waarom kreeg het fascisme wel vaste voet aan de grond in Italië en Duitsland en niet in Frankrijk, waar de kritiek op de democratie juist was opgebloeid? Paxton geeft een verklaring aan de hand van drie case-studies. De fascisten behaalden al vroeg succes in de Po-vallei, omdat traditionele partijen niet in staat waren de belangen van hun kiezers te beschermen. Grote landeigenaren zaten klem tussen lage landbouwprijzen en de eisen van de steeds sterkere socialistische vakbonden. De Italiaanse staat was in de greep van laissez-faire en gaf niet thuis. De grote landeigenaren wendden zich daarom tot fascistische knokploegen voor bescherming. Tegelijk verdeelden de fascisten land en banen onder de kleine boeren en dagloners. Op die manier werden fascisten een serieuze, niet te negeren politieke factor.

Een vergelijkbare analyse gaat op voor het nazi-succes in Sleeswijk-Holstein, de enige Duitse deelstaat waar de nationaal-socialisten bij vrije verkiezingen (op 31 juli 1932) een absolute meerderheid van 51 procent behaalden. De traditionele politiek en traditionele landbouworganisaties hadden geen begin van een antwoord op de vrije val van de landbouwprijzen eind jaren twintig. De nazi's bundelden de ontevredenheid met talloze – vaak tegenstrijdige – beloften.

In Frankrijk liep het anders. Daar waren de gevolgen van de economische wereldcrisis minder ingrijpend. Bovendien kwam de Derde Republiek nooit volledig tot stilstand zoals de Weimar-republiek. De boerenleider Henry Dorgères en zijn zogeheten `blauwhemden' slaagden er niet in een fascistische beweging wortel te laten schieten op het platteland, omdat de Franse staat landeigenaren wèl bescherming bood. Franse regeringen aarzelden niet de politie in te zetten om massale stakingen tijdens de oogst te breken. Fascisten konden de maatschappelijke onvrede niet bundelen.

Paxton onderstreept dat er nooit ergens een fascistische partij aan de macht gekomen is zonder steun van de bestaande elite: het staatshoofd, partijleiders, politie- en legertop. Als de conservatieve elite zich in het nauw gedreven voelt in het tijdperk van de massapolitiek, doet die een beroep op fascisten, die de massa wèl weten te bespelen. In Italië was het de koning die Mussolini de sleutels van de macht in handen gaf na de mars op Rome, die grotendeels bluf was. Ook Hitler werd door een deal met de katholieke aristocraat Franz von Papen in het zadel geholpen, met de zegen van president Hindenburg.

Conservatieven waren dus onontbeerlijke bondgenoten voor fascisten, maar beide groepen zijn niet aan elkaar gelijk te stellen. Conservatieven streven naar rust en orde, proberen de massa zo veel mogelijk buiten de politiek te houden en zijn voorstander van een sterke, maar beperkte staat. Het fascisme is dynamisch, betrekt de massa bij de politiek door theatrale bijeenkomsten, waarin het genie van de leider wordt bevestigd, en maakt ieder individueel belang ondergeschikt aan het belang van de natie. Het fascisme was méér dan gespierd conservatisme. Om vergelijkbare redenen beschouwt Paxton de conservatief-autoritaire regimes van Franco in Spanje en Salazar in Portugal ook niet als fascistisch.

Deze accomodatie met de bestaande elite de belangrijkste reden waarom Paxton aarzelt om het fascisme een revolutionaire beweging te noemen. Anders dan bij de Franse en Russische revoluties, vond er in Italië na 1922 en in Duitsland na 1933 geen fundamentele transformatie plaats van de bestaande bezitsverhoudingen en van de sociale hiërarchie. Paxton erkent dat de angst voor een revolutie van links een sterke factor was in de aantrekkingskracht van het fascisme.

Maar anders dan Ernst Nolte, die met deze stelling in de jaren tachtig de Historikerstreit ontketende, gaat hij niet zo ver communisme en fascisme als elkaars revolutionaire spiegelbeeld te zien. Weliswaar waren de technieken van moord en terreur van bolsjewieken en fascisten deels gelijk. Maar een cruciaal verschil is dat het de heersende elite heel anders verging onder Hitler dan onder Lenin en Stalin. Hitler had niet aan de macht kunnen komen als hij niet behendig het politieke spel had gespeeld. Aanvankelijk maakte hij weinig van zijn vroege (antikapitalistische en antiburgerlijke) revolutionaire uitspraken waar. Hij liet zijn radicale achterban onthoofden in de Nacht van de Lange Messen. Pas tijdens de oorlog gingen alle remmen los en kreeg zijn extremisme de vrije loop. Mussolini ging nog verder dan Hitler in zijn bereidheid een modus vivendi te vinden met de katholieke kerk en de monarchie. Om desondanks de extremisten in zijn partij tevreden te stellen, begon hij de oorlog met Ethiopië.

De radicalisering tijdens de laatste fase is inherent aan het fascistisch wereldbeeld. Het wekken van een dynamische indruk is noodzakelijk om de pretentie van permanente revolutie geloofwaardig te houden. Zonder de Eerste Wereldoorlog, met alle ophitsende oorlogsretoriek, is de opkomst van het fascisme niet voorstelbaar. Maar het fascisme stevent op langere termijn door diezelfde oververhitting onherroepelijk op een nieuwe oorlog af, die tot zelfdestructie kan leiden. Dat is de fase die Paxton `radicaliseren of afsterven' noemt.

Aan het einde van zijn boek doet Paxton toch nog een poging om de kern van het fascisme in één (lange) zin te vatten: `Fascisme is een vorm van politiek gedrag dat gekenmerkt wordt door een obsessieve preoccupatie met het verval van de gemeenschap, vernedering of slachtofferschap en met een compenserende cultus van eenheid, energie en zuiverheid, waarin een massapartij van toegewijde nationalistische militanten, werkend in omgemakkelijke maar effectieve samenwerking met traditionele elites, afstand doet van democratische vrijheden en door middel van verlossend geweld en zonder ethische of juridische beperkingen, doelen nastreeft van interne zuivering en externe expansie.'

De meeste naoorlogse populistische dan wel extreem-rechtse politieke bewegingen voldoen lang niet aan al deze kenmerken. Fundamentele kritiek op het kosmopolitische karakter van het kapitalisme, dat vooral kenmerkend was voor de vroegste fase van het klassieke fascisme, is afgenomen. Rechtse populisten als Le Pen in Frankrijk en Haider in Oostenrijk uiten nu eerder kritiek op de verzorgingsstaat. Pleidooien voor expansie-oorlogen en afschaffing van de democratie zijn nauwelijks nog te horen. Geen politicus van extreem-rechts die iets voor elkaar wil krijgen, kan het zich veroorloven om zich openlijk te afficheren met de geweldscultus van skinheads. Maar nationalisme en xenofobie zijn gebleven. Overigens plaatst Paxton Pim Fortuyn, met al deze kanttekeningen, wel degelijk in de traditie van het fascisme, vanwege de centrale rol die het antimigrantenstandpunt in het fortuynisme speelde.

Niet alle aspecten van het fascisme komen bij Paxton even goed uit de verf; de paragraaf over de holocaust is ronduit zwak. Door te benadrukken `how utterly normal' het fascisme in veel opzichten was, komt Paxton in de problemen wanneer hij het heeft over de genocide op de joden. Daar schiet iedere politieke, rationele of `functionele' verklaring te kort. Paxtons relativering van het belang van ideologie, onder meer door biologisch racisme en cultureel-historisch bepaald nationalisme onder dezelfde noemer te plaatsen, maakt dat hij juist deze misdaad geen overtuigende plaats kan geven in zijn vijf fasen.

Zijn boek heeft wel de grote verdienste dat het laat zien dat het fascisme minder ver van ons af staat dan we graag willen denken. De politieke processen in de jaren twintig en dertig die hij analyseert, zijn nog steeds herkenbaar. Even los van de vraag of het handig en zinvol is om Fortuyns populisme `fascisme' te noemen: Paxtons koppeling tussen het disfunctioneren van de democratie en de opkomst van het fascisme, geeft te denken. In een goed functionerende democratie, met een herkenbare sociaal-democratie, had Fortuyn vermoedelijk niet zo pijlsnel omhoog kunnen komen. We zijn nog niet af van wat Paxton omschrijft als `de belangrijkste politieke innovatie van de twintigste eeuw'. Het fascisme is de schaduw van de democratie.

Robert Paxton: The Anatomy of Fascism. Knopf, 321 blz. €33,20