Lekker weg in eigen hel

Vijfduizend jaar lang speculeert de mensheid al over het hiernamaals. Iedereen moet erheen, maar niemand kan het navertellen. Een nieuw handboek inventariseert de concepten en reikt adviezen aan over vervoer, verzekering, kleding en accommodatie.

Hemel en hel mogen zich het laatste decennium verheugen in een ruime aandacht, net als God en duivel. Je kunt bijna spreken van een hausse aan boeken over deze onderwerpen, met als hoogtepunten The History of Hell (1993) van Alice K. Turner, De hemel. Een aardse gschiedenis (1991) van Colleen MacDannell en Bernhard Langs, God. Een biografie (1995) van Jack Miles, en als meest recente in het genre Handboek voor het Hiernamaals. Reizen naar hemel en hel van Guido Derksen en Martin van Mousch.

Het idee van laatstgenoemden is goed: een reisgids voor de onbekende landstreken die wij toch allen gaan bezoeken. Zo'n reisgids bestond nog niet. Dat met name de sociaal-geograaf Guido Derksen op dat idee kwam lijkt trouwens voor de hand te liggen. Hij schreef eerder Dominicus-reisgidsen over Slovenië, Bali, Maldiven en Nederlandse Antillen/Aruba.

Natuurlijk doet zich een probleem voor: hoe beschrijf je streken waarover niemand die er is geweest iets kan navertellen en waar je zelf vooralsnog geen stap hebt gezet? Een land bovendien dat voortdurend van aard en gedaante verandert? Je moet dus afgaan op wat anderen erover bijeen speculeren en dat doen Guido Derksen en Martin van Mousch dan ook.

Handboek voor het hiernamaals valt uiteen in twee delen. Het eerste, verreweg het lijvigst, bevat een overzicht van vijfduizend jaar hiernamaals-concepties, van Egypte tot India, van de Azteken tot joden, Grieken en Romeinen, van Keltenland tot de landstreken der Vikingen.

Ik moet zeggen dat Derksen en Van Mousch dat aanvankelijk voortreffelijk doen, op vlotte toon en met treffende beeldspraken. Zo vond ik hun metro-metafoor voor de Egyptische onderwereld heel aardig: `De middelste metrobuis stond via een vernuftig stelsel van trappen, liften en roltrappen in verbinding met het erboven en eronder gelegen spoor. Van de reizigers werd verwacht dat ze een plattegrond van de ondergrondse op zak hebben, evenals een geldig plaatsbewijs en een rugzak met reisbenodigdheden. Het kwam er op aan om vooral niet bij de onderste lijn verzeild te raken, want dat was een doodlopend spoor, bedoeld voor zwartrijders en vandalisten.' Ook een mooi beeld geldt het in 1149 gedateerde onderwereldvisioen van Tondalus, dat voortbouwt op de bijbel: `Tondalus opende als het ware het putdeksel uit de Openbaring van Johannes, om ons een niets verhullende blik te gunnen in de martelkrochten van de hel.'

Voor wat de hel betreft is het natuurlijk duidelijk, maar is het gezellig in de hemel, en over welk type gezelligheid hebben we dan? Er wordt beschaafd gemusiceerd – op luit, orgel, trommel, fluit, cello, gitaar en zelfs piano. En ook het gezelschapsspel der lichamelijke liefde wordt bedreven, natuurlijk niet in alle opvattingen over het hiernamaals, maar bij de islamieten zijn er uitgebreide voorzieningen op dit punt (tweeëndertig hoeri's per hemeling). Ook bij de Zweedse filosoof Emanuel Swedenborg komen alle mogelijke vormen van vereniging onder de hemelingen voor, en hoe! `De man is in aanhoudende potentie,' schrijft deze achttiende-eeuwse, reguliere hemel- en helbezoeker (zo zegt hij althans zelf), `want na de daad is er matheid noch flauwte, de vrolijkheid van de animus gaat gewoon door. Het is één aanhoudend vernachten in elkanders schoot en de verrukkingen der uitwerkingen zijn zo buitengewoon dat ze worden vermenigvuldigd tot in het eeuwige.' Daar tekenen we voor.

Voor een reis is het essentieel te weten waar de plaats van bestemming precies ligt. De oude Egyptenaren situeerden hun onderwereld Duat zowel onder de Nijlvallei als in de westelijke Egyptische woestijn, het joodse Gehenna lag in de vallei van Hinnom, vlak buiten Jeruzalem. De Hof van Eden zou tussen Eufraat en Tigris liggen, vaak werd het innerlijk van de Etna, Stromboli of Vesuvius aangewezen als hel, maar ook de zon is als mogelijke locatie genoemd. De hedendaagse reiziger heeft echter een probleem: `De exacte geografische ligging van het hiernamaals is tegenwoordig niet bekend.' Maar stel we zouden er toch terechtkomen, zeggen de auteurs van Handboek voor het Hiernamaals: wat voor landschap treffen we dan aan? `Het hemellandschap is vooral liefelijk, dus liefhebbers van de ruigere natuur hebben pech in de hemel.' Wat betreft klimaat is het beeld eender: aangenaam gematigd maar kleurloos weer in de hemel, in de hel valt tenminste ijzige sneeuw, zijn er hagelstormen en het kan er ongenadig vriezen – bij Dante zit Satan voor eeuwig vast in het ijs van de rivier Cocytus. Het kan er ook brede vuurvlokken regenen, en sommigen hebben in hun hel de temperatuur berekend op 2.799.360 graden Celsius. Afwisseling genoeg zou je zeggen.

Wat betreft flora biedt de hemel weer een veel gevarieerder beeld: al naar gelang de bronnen vinden we er verrukkelijke grasvlakten, rozen, wijnstruiken, maar vooral veel fruitbomen. Bij de Kelten zijn dit met nadruk rijk beladen appelbomen, waar je in tegenstelling tot de christelijke appelboom vooral veel van moet eten – ze geven het eeuwige leven. Luther ziet in de hemel naast appelaars ook kersen-, peren- en pruimebomen. Dieren komen eveneens in de hemel voor: konijnen, hermelijnen, schapen (volgens Savonarola), vissen, ossen, insecten (Luther). Al zag Calvijn in diens hemel weer niets dan slechts God, voor het rijke leven hiernu- of hiernamaals moet je bij Calvijn niet zijn.

Op deze manier behandelen de auteurs in het tweede deel van dit Handboek voor het Hiernamaals achtereenvolgens demografie, bestuur, economie, voedselsituatie, bezienswaardigheden en culinaire gewoonten, om dan verder te gaan met tips in verband met reisbenodigdheden, reisverzekering, accommodatie, vervoermiddelen, kledingadviezen.

Ik begon hoopvol aan dit Handboek voor het hiernamaals – geweldig idee – en aanvankelijk groeide mijn enthousiasme. Bij het bladerwerk vooraf had ik gezien dat de auteurs op verzoek bereid waren niet in hun Handboek opgenomen (vooral apocrief) feiten- en cijfermateriaal te willen afstaan, wat ik alvast per email (gdtprod@planet.nl) had besteld. Helaas begon mijn geestdrift gaandeweg af te bladderen. Het viel me op dat bepaalde informatie wordt herhaald en de toon van de auteurs verwordt van los naar losjes – `Zelf wist Luther duivelse verleidingen te weerstaan door bijvoorbeeld eens een keertje extra met zijn vrouw de koffer in te duiken.' Om vooral in het tweede deel door te slaan tot meligheid: `Aartsengel Gabriël kwam onder meer bij Maria langs om haar een blijde boodschap te verkondigen (Gabriël: `Have I got news for you!')' Of als het gaat om kleding in de hel bij Swedenborg: `Hier is de zak van Max geleegd.'

Heel vreemd in het reisgidsverband van dit Handboek voor het hiernamaals is het ontbreken van een hoofdstuk over cartografie. Waarom niet een apart overzicht van de kaartenmakers van hemel en hel opgenomen? Er is een beroemd hemels Jeruzalem-schetsje van Swedenborg, in de in 1506 bij de Florentijnse drukker Filippo Giunti verschenen Dante-editie zitten kaarten van beide gebieden, de editie van de Venetiaan Aldus Manutius uit 1515 bevat kaarten, en niet minder memorabel is het hel-schema van Bernardino Daniello uit 1568. Et cetera. Een korte zoekactie op internet was genoeg geweest om ze te vinden. Zelfs een modern schema van hemel of hel, zoals in Frans van Doorens Nederlandse vertaling van Dante's Divina Commedia, ontbreekt in Handboek voor het hiernamaals. En dat terwijl een opmerkelijk aantal platen dubbel is opgenomen, zowel in kleur als in zwart-wit, en de afgedrukte illustraties als die van Hergé, Kamagurka, Stefan Verwey in dit verband beduidend minder veelzeggend zijn.

In hun inleiding bekennen Guido Derksen en Martin van Mousch hun schatplicht aan een boek dat ik al noemde: De Hemel. Een aardse geschiedenis van Colleen MacDannell en Bernhard Lang. Ze hebben uiteraard voor hun hel-materiaal uit andere bronnen moeten putten, maar eigenlijk is hun opzet identiek aan die van MacDannell en Lang, en die doen het minder vlotjes, boeiender, uitgebreider en beter, ook als het om illustratiemateriaal gaat. Het lijkt alsof Derksen en Van Mousch in de vloed van alle materiaal hun goede plan (de reisgids) zijn kwijtgeraakt, om het pas op pagina 261 weer terug te vinden. Dat is uiteraard heel jammer, maar we mogen niet vergeten dat dit Handboek voor het hiernamaals voor de beginnende hemel- en helreiziger een schat aan oriënterende gegevens bevat.

Guido Derksen en Martin van Mousch: Handboek voor het Hiernamaals. Reizen naar hemel en hel. L.J. Veen, 384 blz. €22,50