Kletsen als de beste

De Duitse schrijver Albert Vigoleis Thelen vond zichzelf een onbeholpen twijfelaar, maar daaronder ging een groot en gepassioneerd man schuil die speels en fonkelend proza schreef. In Amsterdam maakte hij zijn beste roman. Nu is het boek eindelijk vertaald.

Thomas Mann schijnt heel even te hebben gedacht dat Albert Vigoleis Thelen (1903-1989) een halve Nederlander was. Een begrijpelijke vergissing. De Duitse schrijver Thelen werd als zoon van een procuratiehouder vlak over de grens met Nederland geboren, in het plaatsje Süchteln. Hij maakte in zijn jeugd fietstochten in het gebied tussen Venlo en Roermond en studeerde enkele jaren Nederlands in Münster. In 1931 vestigde hij zich voor enkele maanden in Amsterdam, aan de Nicolaas Beetsstraat. Over die periode vertelt hij in zijn grote roman Die Insel des zweiten Gesichts, die de Nederlandse uitgever G.A. van Oorschot in 1953 op de markt bracht en die nu, iets meer dan een halve eeuw later, eindelijk in het Nederlands is vertaald. Het eiland van het tweede gezicht beschrijft de jaren 1931 tot 1936, toen Thelen na zijn vertrek uit Amsterdam met zijn vrouw Beatrice op het eiland Mallorca verbleef. Maar de schrijver voelt zich niet aan tijd en plaats gebonden. Zijn gedachten verdwalen voortdurend naar Duitsland en Nederland.

Op Mallorca voltooit Thelen de Duitse vertaling van Het carnaval der burgers, geschreven door Menno ter Braak. Het manuscript werd toegestuurd aan Thomas Mann, die beloofde een voorwoord te schrijven als er een Duitse uitgever werd gevonden (wat niet lukte). Thelen had Ter Braak in Nederland leren kennen, bewonderde hem als cultuurfilosoof en geeft in Het eiland een beknopt en treffend portret van Ter Braak tijdens een ontmoeting met Thelens vriendin, met wie hij ongehuwd samenwoonde: `Dr. Menno ter Braak was een erg geleerde en erg bedeesde man die op mijn kamer in Amsterdam verlegen werd toen ik hem Beatrice voorstelde als dat wat ze was. Hoe weinig was de schrijver van die scherpe satire op de burgerlijke bekrompenheid zelf een carnavalsvierder!' Ondanks die verlegenheid imponeerde Ter Braak Thelen, wat ook blijkt uit de titel van diens roman, die verwijst naar Ter Braaks essay Het tweede gezicht. Elke schrijver heeft volgens Ter Braak de neiging het masker op te zetten van een zelfgekozen rol. Daarachter schuilt een wezen dat op het eerste gezicht vaak onzichtbaar blijft, juist omdat hij er innig mee is vergroeid. Dit tweede gezicht is zijn ware karakter.

In het begin van zijn roman vertelt de hoofdpersoon hoe hij, kort na aankomst in de Nicolaas Beetsstraat, een vriendin van zijn hospita de stuipen op het lijf joeg. Toen hij de trap opliep meende deze Truus, van boven op hem neerkijkend, in hem de zeeman te herkennen door wie ze onlangs was verlaten. Zij was zo geschokt dat ze naar huis rende, de gaskraan opendraaide en stierf. Vigoleis werd door de politie opgehaald en beschuldigd van moord. Het was mijn tweede gezicht, schrijft hij, dat iemand het leven kostte, `tenminste in de Vigoleisiaanse logica die minder sluitend is naarmate mijn fantasie een loopje neemt met de wetten van het denken.' Dat is het tweede gezicht van de schrijver Thelen: zijn bruisende verbeeldingskracht.

In Het eiland portretteert hij zichzelf als een indolente fatalist die twintig jaar heeft geaarzeld voordat hij verslag deed van zijn Spaanse jaren. Hij lijkt een onbeholpen twijfelaar die op het eiland Mallorca verdwaald raakt in een wereld van oplichters en gelukzoekers. Maar in de wijze waarop hij van zijn ervaringen verslag doet, toont hij zich een fantasierijke vitalist. Deze `memoires' zijn, zoals de ondertitel aangeeft, `toegepaste herinneringen'. Hij vaart op het kompas van de verdichting. Wat ik hier noteer, aldus Thelen, is weliswaar niet helemaal uit de duim gezogen, maar wel erg voor de vuist weg geschreven. Ik mag dan op het eerste gezicht een dolende nietsnut zijn, zo lijkt hij te willen zeggen, in dit boek laat ik zien wat ik werkelijk ben, namelijk een gepassioneerde dichter.

Het Eiland is een roman met Vigoleis als hoofdpersoon. De schrijver laat zich inspireren door ongestructureerde herinneringen, die model staan voor de loop van zijn verhaal. Hij heeft een boek geschreven zonder compositie. Je kunt op elke bladzijde beginnen met lezen, om te worden meegezogen door een vloedgolf van gebeurtenissen en invallen die allemaal zijn hoogstpersoonlijke stempel dragen. Dit genre heeft grote literatuur opgeleverd, zowel in Nederland (E. du Perron, Het land van herkomst) als Duitsland (Uwe Johnson, Jahrestage). De roman van Thelen hoort naar soort en kwaliteit zeker in die categorie thuis. De schrijver heeft zijn ervaringen toegepast op zijn verbeelding. In twijfelgevallen, schrijft hij ironisch, geeft de waarheid de doorslag. Of, zoals hij zijn literaire procédé samenvat: `Meestal klets ik een eind in de ruimte.' En kletsen kan Vigoleis als de beste. Hij is zelden in staat zich bij zijn onderwerp te houden, omdat naar zijn diepste overtuiging in de marge altijd meer gebeurt. Het is het gebied waarin zijn eigen bestaan zich afspeelt. Deze roman heeft het karakter van een zelfontlading, waarin de schrijver zich helemaal overgeeft aan zijn uitzonderlijke talent voor uitweiding en zijn scherpe blik voor het bizarre.

Het enige normale mens dat in zijn boek rondloopt is zijn geliefde Beatrice, met wie hij een verhouding heeft die berust op een evenwicht van tegenstellingen. Deze Zwitserse vrouw is de onbenoemde heldin van Het eiland, het steunpunt van zijn bestaan. Zij beschikt over het oordeel en de standvastigheid die Vigoleis overeind houden. Toch is ook zijn verhouding met haar in buitenissigheid geboren. Want als hij haar voor het eerst ontmoet, in de stromende regen, valt hij niet alleen voor haar persoon, maar raakt hij ook betoverd door de bijzondere paraplu waaraan ze gehecht blijkt te zijn. Dit regenscherm heeft een sprookjesachtig handvat: `een klomp licht gevlamd, honinggeel barnsteen met een insect erin, een duizendpoot die een paar honderd poten was kwijtgeraakt, wat zijn zoölogische eigenaardigheid alleen maar vergrootte.'

Meer dan eigenaardig is de persoonlijkheid van Zwingli, de broer van Beatrice die al lange tijd op Mallorca woont. Omdat hij haar een telegram heeft gestuurd met de alarmerende boodschap dat hij op sterven ligt, besluiten Beatrice en Vigoleis in 1931 hals over kop naar het Spaanse eiland af te reizen. Daar aangekomen blijkt de kwaal van Don Helvecio, zoals hij door de eilandbewoners wordt genoemd, een gecompliceerd maar niet levensbedreigend karakter te hebben. Hij lijdt zowel aan grote schulden als aan wat Beatrice noemt een ernstige mate van seksuele onderworpenheid: `dan wassen mensen zich ook niet meer'. Zwingli deelt het leven met de flamboyante hoer Maria del Pilar (`even mooi van naam als van lichaamsbouw, met haar koket tentoongestelde renaissancebuikje'), die hem min of meer gijzelt en weldra ook Beatrice en Vigoleis in de greep brengt van haar terreur. Zij betalen de schulden van Zwingli, die vervolgens naar het vaste land vlucht, zijn zuster en haar man berooid achterlatend.

Dan begint een gedetailleerd weergegeven periode van vijf jaar, op een eiland waar het bestaan wordt gedomineerd door gloeiende vuurvliegjes, schreeuwende krekels en een hemel van lood. Er wordt door Beatrice en Vigoleis geldnood en zelfs honger geleden. Er zit maar één ding op: naar het voorbeeld van de meeste eilandbewoners zo weinig mogelijk tot je bewustzijn laten doordringen dat je arm bent, zelfs als de wanhoop nabij is. Beatrice probeert wat geld te verdienen met het geven van taal- en pianolessen, Vigoleis blijft ook in deze benarde omstandigheden zijn tijd investeren in de kunsten van het observeren en converseren.

Hij voelt zich ondanks het dagelijkse ongemak thuis in een wereld die stijf staat van temperament en pathos. Aan zijn ogen trekt een lange parade van opdringerige zonderlingen voorbij. Onder de inlandse bevolking lijken priesters, officieren en hoeren zwaar oververtegenwoordigd te zijn. Daarnaast lopen er talrijke buitenlandse dandy's rond, die zich uitgeven voor graaf, professor, gemankeerd schrijver of onbegrepen schilder. Het lijkt of er slechts narren en excentriekelingen op de weg van Vigoleis komen, die hem meeslepen in dubieuze avonturen en onnavolgbare conversaties. Thelen notuleert gedreven, in een speels en flonkerend proza, vol originele beeldspraken en vergelijkingen. Zijn stijl is uitgesproken muzisch, op het zangerige af. Vertaler Wil Boesten levert een topprestatie door een Nederlands equivalent te scheppen dat nauwelijks onderdoet voor het Duitse origineel.

De roman van Thelen kent ook zwakke passages. Niet alles wat hij beschrijft en beweert is even interessant. Soms moest ik denken aan wat H.N. van der Tuuk ooit over Multatuli opmerkte: `Nu en dan lult hij zwaar'. De vergelijking met Douwes Dekker, die ook een compliment is, kan worden doorgetrokken. Thelen is vaak omslachtig en behaagziek. Hij koketteert soms net iets te veel met zijn onbeholpenheid en wereldvreemdheid. Hij schuwt de retorische truc niet en portretteert zichzelf wel erg vaak als een dwaas. Maar dat zijn allemaal bezwaren die er op het geheel weinig toe doen. Thelen presteert namelijk wat alleen een echte schrijver voor elkaar kan krijgen: hij verleidt je, zodat je hem al zijn tekortkomingen vergeeft. Uiteindelijk zit er niets anders op dan hem in de armen te sluiten. Als je Het eiland van het tweede gezicht uitgelezen hebt, dan heb je iets meegemaakt. Dan ben je zo diep doorgedrongen in het absurde universum van Vigoleis dat hij voor altijd je kameraad is.

In de Spaanse avonturen van Vigoleis speelt Duitsland een belangrijke rol, niet alleen op de achtergrond. Hij heeft geen belangstelling voor politiek, maar met die houding kwam je in het Duitsland van het interbellum niet ver. De politiek bemoeide zich met jou. Al in 1931, kort na Hitlers eerste verkiezingsoverwinning, voelt Thelen zich zo onbehaaglijk in zijn vaderland dat hij tijdens een bezoek aan Amsterdam, waar Beatrice een baantje heeft als gouvernante, besluit niet meer terug te keren. In Het eiland wanhoopt hij aan die talrijke landgenoten `die het lied van het bruine ontwaken zingen'. Van de stadhuisbode tot de meesterfilosoof Heidegger, allen schijnen hun verstand te hebben uitgeschakeld. Massaal en vreugdevol wordt de treurmars van de eigen ondergang ingezet. Want dat is volgens Thelen de tragiek van het Duitse volk: `Het maakt zichzelf altijd af'. Je hoeft volgens hem geen deskundige te zijn om in te zien dat Hitler de joden om zeep wil helpen. Sinds 1933 is Duitsland in handen van een misdadiger die opereert in naam van de wet.

Dit inzicht versterkte de band op afstand met Menno ter Braak, die in de loop van de jaren dertig een geharnaste tegenstander van het nationaal-socialisme werd. Als redacteur van het Haagse dagblad Het Vaderland vroeg Ter Braak aan Thelen om recensies te gaan schrijven over Duitse literatuur. Deze bijdragen, die verschenen onder de schuilnaam Leopold Fabrizius, werden door Ter Braak niet alleen in het Nederlands vertaald maar ook op last van zijn hoofdredactie gezuiverd van passages die het Duitse staatshoofd onwelgevallig zouden kunnen zijn. Ter Braak zat ermee in zijn maag en schreef Thelen excuusbrieven. Maar Vigoleis oordeelt in Het eiland mild over deze censuur. Het probleem van Nederlanders was nu eenmaal, zo begreep hij, `dat hun plantaardige afzetgebied groter was dan zijzelf'. Als Hitler boos zou worden en niet meer wilde afnemen, waar moesten de Hollanders dan met al die bloemkolen heen? De recensies van Fabrizius/Thelen zijn nu in een verzamelde editie (Die Literatur in der Fremde) door Erhard Louven terugvertaald naar het Duits en voorzien van een deskundige inleiding.

Er wonen tijdens het verblijf van Vigoleis en Beatrice veel Duitsers op Mallorca. Een van hen is de befaamde Harry Graf Kessler, oud-diplomaat, rentenier, schrijver, grand seigneur en kosmopoliet. Een man die in de woorden van Vigoleis `de culturen van drie vaderlanden in zichzelf had laten rijpen tot een menselijke volmaaktheid en verfijning die onder het Duitse zegel zeldzaam is'. Na hun eerste ontmoeting lijkt het of Kessler Vigoleis aanziet voor de gevluchte leider van de Duitse communistische partij: hij spreekt hem consequent aan met Thälmann. Wat Kessler er niet van weerhoudt Vigoleis te vragen zijn secretaris te worden en zijn gedenkschriften uit te typen.

Kessler en Vigoleis ondervinden beiden last van de Duitse consul op Mallorca, een trouwe aanhanger van Hitler. In juli 1936 breekt de door generaal Franco geleide opstand tegen de Republiek uit. Dan blijkt ook dit eiland een tweede gezicht te hebben: van de ene op de andere dag trekt een massale aanhang van extreem-rechtse Falangisten moordend over Mallorca. Generaal Franco is razend populair. Kessler heeft geluk: hij houdt toevallig verblijf in Frankrijk. Vigoleis en Beatrice blijken door het Duitse consulaat op een lijst te zijn gezet van politiek onbetrouwbare personen die jachtobject worden van de Franco-aanhang. Hun vlucht naar Portugal mislukt bijna als Beatrice vlak voor de inscheping op een Brits oorlogsschip nog even terug naar huis wil omdat ze is vergeten twee boeken naar de uitleenbibliotheek terug te brengen.

In de korte en degelijke biografie van Cornelia Staudacher en de fotobiografie van Jürgen Putz is te lezen hoeveel tijd het nam voordat het goed kwam tussen Thelen en zijn vaderland. Na zijn vertrek in 1931 duurde het meer dan een halve eeuw voordat hij zich met Duitsland verzoende. Tijdens de oorlog bleef hij met Beatrice in Portugal, daarna vestigden zij zich in Nederland en Zwitserland. Pas in 1986 gingen zij in Duitsland wonen, een jaar nadat President Richard von Weiszäcker aan Thelen een hoge onderscheiding voor zijn literaire verdiensten had uitgereikt. De `nationale domkop', zoals hij op school vanwege zijn recalcitrante gedrag werd genoemd, had in de loop van de voorafgaande decennia veel erkenning gekregen voor Die Insel des zweiten Gesichts. Paul Celan en Siegfried Lenz roemden het als een meesterwerk. Ook in Nederland werd de roman uitvoerig geprezen, bijvoorbeeld door Adriaan Morriën en Maarten 't Hart. Het vervolg op Die Insel (Der schwarze Herr Bahssetup), een aantal verhalen en de gedichten van Thelen trokken echter nauwelijks aandacht. Maar als schrijver van die ene grote roman, die vele malen werd herdrukt, is Thelen behalve in Duitsland ook in Nederland een geliefde schrijver geworden, die inmiddels ook een website heeft (www.vigoleis.de).

De banden met Nederland komen in de biografieën van Staudacher en Putz uitvoerig ter sprake. Heel bijzonder was de vriendschap met de dichter Marsman. Thelen was vooral dol op diens lyriek. Marsman en zijn vrouw bezochten Thelen en Beatrice op Mallorca (fraaie foto's van dit bezoek zijn in het boek van Putz opgenomen). Na de oorlog, die noch Ter Braak noch Marsman overleefde, kwam het echtpaar Thelen in Amsterdam aan, waar het van 1947 tot 1954 zou blijven wonen aan de Derde Helmersstraat. Beatrice kreeg een administratief baantje op het kantoor van uitgever Meulenhoff. Thelen vermaakte zijn literaire vriendenkring met smeuïge verhalen over zijn tijd op Mallorca. Als jij dat nou eens allemaal opschrijft, zei uitgever Van Oorschot tegen hem, dan geef ik dat boek in het Duits uit. Thelen, die de vijftig naderde en nooit anders dan recensie- en vertaalwerk had gedaan, begreep dat het moment van de waarheid was aangebroken. Hier was de kans om te laten zien wie hij werkelijk was: niet alleen een rondzwervende causeur, maar een kunstenaar die lang had gewacht om de registers van zijn fantasierijke vertelkunst ook op papier open te trekken. Hij sloot zich negen maanden op en schreef vijf bladzijden per dag. Van Oorschot eiste vervolgens dat het manuscript van vijftienhonderd pagina's met een derde zou worden ingekort. In een aanval van razernij smeet Thelen onder andere driehonderd pagina's over zijn vriendschap met Marsman in de kachel aan de Derde Helmersstraat. Na deze opgelegde coupure liep het weldra uit op ruzie tussen de uitgever en de schrijver. De hoofdzaak blijft dat hun samenwerking leidde tot de publicatie van een prachtige roman die nu een even prachtige Nederlandse vertaling heeft gekregen.

Albert Vigoleis Thelen: Het eiland van het tweede gezicht. Uit de toegepaste herinneringen van Vigoleis. Vertaald door Wil Boesten. Signature, 960 blz. €49,95

Albert Vigoleis Thelen: Die Literatur in der Fremde. Literaturkritiken. Herausgegeben, aus dem Niederländischen übersetzt und mit einem Vorwort von Erhard Louven. Weidle Verlag, 246 blz. €19,–

Cornelia Staudacher: Albert Vigoleis Thelen. `Wanderer ohne Ziel'. Ein Porträt. Arche Verlag, 158 blz. €16,–

Jürgen Putz (Hrsg.): Albert Vigoleis Thelen. Erzweltschmerzler und Sprachschwelger. Bildbiographie auf der Grundlage der Sammlung Leo Fiethen. Edition Die Horen, 191 blz. €22,–