Gorter draagt een sjaal van sneeuw

Twee jaar geleden publiceerde Pieter Boskma De aardse komedie, een roman-gedicht van 270 pagina's. Bij tijden prozaïsch, soms ook uitbundig lyrisch beschreef hij daarin de driehoeksverhouding tussen een dichter, een fotografe en een religieus zweefplanktype. Dat hij in het hooggegrepen spoor van Dante soms struikelde of in grootspraak verzandde, werd hem door critici niet in dank afgenomen. De recensies waren uitgesproken zuinig. Ten onrechte, vond ik toen, en vind ik ook nog na herlezing. Sinds zijn poëziedebuut in 1987 toont Boskma, nu al zo'n tien bundels lang, een voorkeur voor het grote gebaar in de dichtkunst. Die lyrische durf onderscheidt hem van de generatie `figuurzagers' waartegen hij zich in 1988 met tien andere jonge dichters afzette in Maximaal.

In zijn nieuwe bundel Puur toont Boskma hernieuwd zijn bekommernis over de Staat van de Poëzie. In `Hadden wij maar', een aan zijn mede-Maximaal Joost Zwagerman gericht beklag, bekent hij:

ja wij zijn vermoeid de nadagen van het dagen

aan het ontstijgen o hadden wij nog dichters

die zomaar het grote geluk wisten te vinden

en dan zeiden: het grote geluk heb ik gevonden

zomaar onomwonden en dat dan later

dichters

zeiden wat een groot dichter van het groot

geluk

is dat

[...]

hadden wij maar de schatten van bv. Herman Gorter nog

zo een die het geluk vond en maximaal dat moest het zijn

hoe potsierlijk de gewesten ook klonken van protesten

in deze tijd heeft het slijk het slijk zijn grens bereikt

en zelfs de schoonheid van de allerjongste

bruiden

heeft er een hard hoofd in evenals hun schoot

In de laatste regels klinkt een verbasterde echo van `ik tracht op poëtische wijze' van Lucebert. Ook elders in Boskma's verzen neuriet die dichter tussen de regels mee. Maar meer dan Lucebert is Gorter de grote voorzanger – al draagt ook die in Boskma's `Brief uit Elegia' een `sjaal van sneeuw, / al even oud en moe'.

We leven in hectische tijden, stelt de dichter. Verwarrende tijden ook. `Iedereen is dacht ik nu wel volledig verloren' luidt de openingsregel van `Zeistijd', maar het tweede couplet beweert het schijnbare tegendeel: `En iedereen is dacht ik best tevreden'. Het bestaan blijkt bij Pieter Boskma bovenal een eenheid van paradoxen. Zijn poëtische kracht is dat hij daar zo veelvuldig vorm aan geeft. Het titelgedicht van Puur verwoordt het in een angstvisioen en de daaropvolgende berusting. De slotregels echoën de beginregels van `Uit de luwte', het eerste vers in de bundel. Niet letterlijk, maar als een uiting van onmacht. `Wie schrijft met een tak in de wind / of met een menselijke teen in het water,' luiden de openingsregels van de bundel. Zeventig bladzijden verder meldt de dichter dat hij eigenlijk wil zingen, maar niet onwillig zwijgt, omdat hij `het liefst met een tak in de wind / of een menselijke teen in het water schrijft'.

Zo'n slot suggereert dat de dichter vraagtekens zet bij de tussenliggende verzen. Dat doet hij ook werkelijk, en niet alleen in het slotvers. In vrijwel elk gedicht in Puur herneemt de dichter wat hij beweert of verschuift hij zijn beelden, omdat zijn ambitie verder reikt dan wat hij op papier krijgt. Maar Boskma is een optimist. `Ook de dichter is per definitie een verliezer,' stelt hij in `De zinvolle haast van de dichter':

Hij verliest zijn schoenen in het park

terwijl hij, door een laag, oudgeel

novemberlicht omschenen, het tapijt

van eikenblad nauwkeurig onderzoekt

op de contouren van een nimmer eerder

waargenomen beeld, of een betekenis

door geen sterveling ooit uitgedacht;

En regelmatig verliest die dichter `zijn door vrijwel alle muzen / op de proef gesteld geduld bij het proeven / van de woorden, als de bittere of te zoete / smaak hem niet bevalt, en hij ze toch/ door de volzinnen moet roeren'.

Zelfs verliest hij wat hij wint want het

blijft te weinig, en wat hij ook weet,

nooit is het toereikend – hij raakt

buiten elke definitie in zichzelf verloren

maar dan toont zich het geloof in de poëzie:

en is daarin zichzelf genoeg. Het dondert

hem niet wat hij kwijtraakt, hij schept het

dezelfde dag alweer terug, want hij heeft

haast, al zoveel verloren, waar is het

gebleven, de tijd die ooit zee was,

de mogelijkheid die zich niet liet begrenzen,

van meisjes de zachte maar marmeren dijen,

van jongens de harde maar brekende lach –

verloren, verdwenen, vergeten, maar zie:

weer door de dichter herschapen,

die in zijn haast om de leegte te vullen,

door het verlies van iets achtergelaten,

ieder verlies met verliezen verhult

tot ook het verhullende zoek is geraakt.

`De zinvolle haast van de dichter' is een groots programmatisch gedicht. Pieter Boskma weet wat hij wil en doet, en hij kent zijn beperkingen. Ook zelfspot is hem niet vreemd. Na bovenstaande regels is het gedicht nog niet af. Het eindigt met een passage waarin de dichter, zonder schoenen, want die heeft hij niet meer nodig, van zerk naar zuchtkasteel doolt, `blikkerend gekleed in een Armani-pak/ van bladgoud, en zingend als de merels / op hun allermooist: vlak voor zonsondergang'.

Zoals Boskma's vorige bundels biedt Puur ook een stevige portie natuur- en liefdeslyriek. In het amoureuze genre is het gedicht `Toen zag ik je verlegen' een hoogtepunt omdat het zo treffend de verwarring van verliefdheid verwoordt. In de natuursfeer is `Het leven op het land' exemplarisch, hoe ouderwets het vers bij de eerste lezing ook overkomt. En in de cyclus `Het liefdeskustgesticht' smelten de genres samen als de dichter van de top der duinen zijn erotische belofte zonder topje in zee ziet staan.

Het is eerder betoogd: niet alleen in zijn liefdesgedichten, maar ook in zijn retoriek is Pieter Boskma een trouwe leerling van meester Gorter. Maar wel met een heel eigen, persoonlijke stem. Een stem die, zelfs in een Brief uit Elegia die aan Hafid Bouazza gericht is, voorbij de ogen en oren van de geadresseerde reikt. Maar vooral ook een tijdloze stem. Voor wie nog twijfelde: Puur bevestigt het gewicht van Boskma's dichterschap.

Pieter Boskma: Puur

Prometheus, 79 blz. €15,–