Etnisch gif

In Tallinn vertaalde Benno Barnard de gedichten van een Ier en een Welshman in het Nederlands. ,,Omdat Nederlands uiteindelijk even onbekend bleek als de rest, mocht ik blijven''

In mei voerde het toeval me naar een dorp op een uur van Tallinn, Estland, waar een `workshop' voor dichters uit kleine taalgebieden plaatsvond, een gebeuren van een verrukkelijk soort nutteloosheid – net zoals de dichtkunst zelf dus, die immers bloeit op de bodem van de kloof tussen nut en zin. Het programma werd deels gefinancierd door de Europese Unie, in het kader van de eenwording en het begrip tussen de volkeren.

Met dichten verdien je niets, dat is algemeen bekend, maar soms omkransen hoge instanties ineens je schedel, op een schild gehesen schommel je door vreemde hoofdsteden, om je heen ontvouwen zich recepties, dienbladen vol schuimwijn en schaaldieren zweven voorbij, burgemeesters en ministers spreken je toe, een rare, lacherig makende vippigheid tilt je een paar dagen op. Zo begon het ook nu, in de binnenstad van Tallinn, die zoals zoveel binnensteden ten oosten van het Boheemse Woud wonderbaarlijk gaaf is gebleven, als het ware diepgevroren en onder een stolp bewaard door de Sovjets, middeleeuws en barok, met een plaveisel van kinderhoofdjes, met lichtblauwe, roze, witte en okergele gevels.

Maar dit impressionisme moesten we nog dezelfde avond weer verlaten; per bus begaf ons gezelschap zich naar Käsmu, gelegen op de punt van een klein schiereiland, aan dat gedeelte van de Baltische kust dat door een binnenzee van Finland wordt gescheiden.

Käsmu, ik denk er met heimwee aan terug. In minder dan een week werd het een van mijn favoriete plekken op aarde, dit dorp met houten huizen, in dezelfde kleuren als het oude Tallinn geschilderd, en omringd door bekoorlijke tuinen, grasvelden met de parasols van vier of vijf appelbomen; er hoorden sauna-huisjes bij, waartegen houtblokken lagen opgestapeld, en het geheel werd afgesloten door een laag wit hek. Sommige tuinen deden meer aan erven denken, pluimvee was zo vriendelijk er romantisch rond te scharrelen, rook kringelde smaakvol naar de blauwe hemel; noties van een oeroude autarkische wereld drongen zich op, vaders met bijlen in het decor van de onrustig lispelende dennenbossen landinwaarts, moeders in de weer met het inmaken van fruit: een verwerpelijk prefeministisch leven in een ander Europa dus.

Het weer verguldde ons verblijf. Het was rond de 25 graden, met overdrijvende wolken en miljoenen schilfers zon in de Finse Golf, die geen eb en vloed kende en waar raar genoeg ook geen vissersboten rondvoeren; wel lagen er overal geologische souvenirs in het slaperige water, enorme zwerfkeien, ouwe rommel uit de IJstijd. Aan de oever stond het enige stenen gebouw van Käsmu, een privé-museum, beheerd door het type heemkundige zonderling dat zijn dorp verzamelt. Ernaast verrees het stalen vlechtwerk van een wachttoren uit een andere IJstijd, die van de Sovjets.

In dit sprookjesachtige Käsmu bezat de Estische schrijversbond een eigen huis, waar we geacht werden te werken. De bedoeling was dat we allemaal elkaar vertaalden, van de ene minoriteitstaal in de andere, van het Gaelic in het Estisch, van het Baskisch in het Shetlands; ook Welsh, Noors en IJslands waren vertegenwoordigd. En Nederlands dus.

Stamgenoten

Doordat `minderheidstaal' als bindend criterium was gehanteerd, hing er iets vaag tribaals rond de hele onderneming. Er werd van ons verwacht dat we via de poëzie waardering kweekten voor onze taal en onze stamgenoten; er was ons ook gevraagd dit streven kracht bij te zetten met volkseigen alcohol. Het ontbrak er nog maar aan dat Europa van ons een presentatie in kilt of wambuis verlangde. Toen we onszelf op de eerste ochtend voorstelden, zei ik: ,,Nederlands is helemaal geen minderheidstaal. Mijn taal wordt in twee Europese landen gesproken, door maar liefst tweeëntwintig miljoen mensen. Het is de achtste taal van Europa, kwantitafief gesproken. Ik moet hier per vergissing zijn beland.'' Toen pas bleek men te veronderstellen dat ik in het Vlaams schreef. Ik legde uit dat er stricto sensu geen taal bestond die zo heette; maar omdat Nederlands uiteindelijk even onbekend bleek als de rest, mocht ik blijven.

We hadden vijf dagen de tijd om één gedicht van iedereen te vertalen, tien gedichten in totaal, want er waren vier Esten. Estisch wordt bij elkaar geagglutineerd in het grote duister van de Finoegrische mondholte, maar een ernstig obstakel vormde dat niet, zomin als bijvoorbeeld het welluidende experiment met spugen en keelschrapen dat Welsh heet – niemand rijmde uitbundig en iedereen wees zelf wel op de subtiliteiten die in de Engelse tussenvertaling verloren waren geraakt.

Maar hoe gaan die dingen: je voelt je tot mensen aangetrokken zoals tot gedichten en vice versa, zonder veel rationele argumenten. De makers van de verzen die het meeste tot je spreken, spreken zelf ook het meeste tot je. En bovendien, de Esten verschansten zich achter hun veertien naamvallen, de Noor ging vroeg naar bed, de Bask was een geestverwant van de flaminganten. Ik vond ze allemaal sympathiek, maar slechts enkele van die in perifere talen schrijvende vakbroeders interesseerden me werkelijk.

Cathal Ó Searcaigh bijvoorbeeld, een homoseksuele Plop van in de vijftig, met een stemvolume dat aan bronstige herten herinnerde. Hij droeg de hele week een oogverblindend paars hemd en schoof zijn leesbril voortdurend heen en weer tussen neuspunt en schedeldak, waarbij de lenzen soms op de grond vielen. Cahal O Sharkey: zo sprak je zijn naam uit. Deze gnoom introduceerde zichzelf als de eerste dichter in het Gaelic die openlijk gay was. Zijn moedertaal werd op alle scholen onderwezen, maar door niet meer dan twintigduizend mensen dagelijks gesproken – er hoorde een archaïsche, rurale wereld bij, aantrekkelijk voor een Roland Holst-achtige, maar niet zo mild voor een jonge flikker.

,,Mijn ouders hadden maar een paar schapen'', zei hij. ,,Mijn vader moest vaak maandenlang in Schotland gaan werken als dagloner.''

,,Spraken ze Engels?''

,,Heel slecht. Ze waren ook nooit naar school geweest. Het waren analfabeten.''

Het klonk bijna pretentieus, alsof hij via dit opzienbarende doopceel zijn plaats opeiste in een feeëriek omneveld Ierland voor toeristen, waar ook de Blarney Stone, leprechauns en een overdosis samenzang-in-de-pub deel van uitmaakten. Maar het was de eenvoudige waarheid. Deze Europeaan, een man die van het woord zijn beroep had gemaakt, was het kind van analfabeten.

,,Dat gedicht van me dat je aan het vertalen bent, dat is echt zo gebeurd. Ik was acht of negen misschien.''

Het gedicht heette `Lamento' en was opgedragen aan de nagedachtenis van Cathals moeder. Wat ik zat te vertalen was eigenlijk de vertaling van Seamus Heaney, maar dat leek me geen schande – alleen moest ik om het überhaupt te kunnen vertalen mijn toevlucht nemen tot een kunstgreep, het gebruik van een archaïsch metrum om een archaïsche wereld in haar waarde te laten, om die wereld niet te ironiseren. Ik associeerde de grote nadruk die Cathal op de voordracht legde met de homerische wereld, maar een dactylus leek me te gekunsteld; en dus koos ik voor een alexandrijn zonder vaste rust:

Ik huilde aan mijn moeders borst, volstrekt ontroostbaar

De dag dat Mollie stierf, de oude tamme ooi,

Die aan een rotswand in Beithi was vastgeraakt.

Het was benauwend heet, we zochten haar, bezweet

En hijgend, schapen van de rotswand wegjagend,

Toen we haar zagen op een richel in de diepte,

Waar ze zich op haar stortten. Kraaien. Steeds meer kraaien

Aten van haar. En wij hoorden het doodsangstblaten,

Maar dichterbij konden wij niet. Ze werd verscheurd

En ook haar vreselijke, wilde, laatste adem

Moesten wij ondergaan. Mijn kinderhart brak stuk.

En hoe ze ook haar beide armen om me heen sloeg,

Kalmeren kon ik niet. Ik huilde en bleef huilen,

Tot ze me suste door me op haar rug te dragen

En thuis een aardappelkoekfeestmaal te beloven.

Vandaag is het mijn taal, mijn stuiptrekkende taal,

De passie van de dichter, mij van moeders-vaders-

Moederswege geworden, nu verlaten staande

Op een fatale richel, waar wij ons niet wagen.

Ik hoor haar agonie, ze blaat en snakt naar adem

En worstelt met haar dood nu ze door hen omringd wordt,

De scherpgebekten, aaseters, vraatzuchtigen

Die nooit ver weg zijn. O, steeg er uit deze kwelling

Nu maar een angstaanjagend, woedend huilen op,

Ontblootte ze nu maar de tanden van haar liefde

En schrikte ze die troep maar af. Ze doet het niet,

Ze rilt verschrikkelijk, mijn moeder is verdwenen

En geen belofte die nu nog de pijn verlicht.

Ik kan me geen moderne dichter van de Nederlandse stam voorstellen die nog zo'n toon zou durven aanslaan, of die in de tweede strofe een metafoor uit de eerste strofe nog zo zou durven expliciteren. Maar ik ken ook geen Dietse gealfabetiseerde van de eerste generatie.

Overigens vond Cathal het Nederlands van mijn voordrachten `geil' klinken.

Glimwormen

Het Deutschtum heeft in Estland twee zaken achtergelaten: landhuizen en woorden. Die laatste zijn veelal Neder- of Noord-Duits, waardoor ook de amateurfiloloog in het Estische duister soms Nederlandse signalen ziet oplichten, kelder bijvoorbeeld, kroes, hof, als glimwormen in de nacht. Ze zijn in de taal achtergebleven als een sediment van de Hanze (zijnde de Europese Unie avant la lettre) en de Duitse Orde, die in Estland de lakens uitdeelde tot laat in de zestiende eeuw. Vervolgens kwamen de Zweden, en vanaf de achttiende eeuw de tsaren, en na een korte periode van zelfstandigheid tijdens het interbellum de Sovjets.

De Russische bezetting heeft voor een dubbelzinnige historische houding gezorgd. In het collectief bewustzijn van de Esten staat Duits voor beschaafd en westers, Russisch voor barbaars en oosters. Ook de domste toerist die in Tallinn rondwandelt zal de stad als intens Europees ervaren – ik voeg er Midden-Europees aan toe, barok, Luthers, lichtblauw, okergeel en Atlantisch, dat laatste in de vorm van de gebruikelijke attributen, zoals cola-parasols en geldautomaten. Midden in de centrum staat bij een stuk braakland een bord waarop te lezen valt dat de luchtmacht van de Sovjets in 1944 bij een bombardement talloze burgers heeft gedood – maar daarbij wordt niet vermeld dat Tallinn toen in handen van de nazi's was. In een recent historisch werk dat ik in de bibliotheek van het schrijvershuis in Käsmu aantrof, werd de Russische terreur na de ondertekening van het Ribbentrop-Molotov-pact aangeklaagd, evenals de deportatie van tienduizenden Esten nadat de Duitsers in 1944 waren verdreven – maar geen woord over de geestdrift waarmee het Estendom met de nazi's had gecollaboreerd.

Natuurlijk, de Russen demonstreren al enige eeuwen dat ze geen greintje talent hebben voor het creatief onderwerpen van andere volkeren, en het communistische regime heeft zich eerst erg wreed en daarna erg stupide gedragen. De begaafde dichteres Doris Kareva, die in een van haar elegante vermommingen voor je kon staan alsof ze tegen een deurpost leunde, speelde op een avond in Käsmu ballroommuziek uit het interbellum en vertelde, met een glas etnisch gif in haar witte handen, dat de kunstenaars van Tallinn in de communistische tijd dansfeesten gaven waarop uitsluitend deze bourgeoismuziek uit anno dazumal werd gedraaid.

,,Maar dat monument, Doris!''

,,Dat is geschiedvervalsing. Een verzachtende omstandigheid is misschien dat wij geen joden hebben vermoord zoals de Litouwers. Er waren hier nauwelijks joden.''

Moralist, bemoei je er niet mee! Toen jij naar Dark Side of the Moon luisterde, moest zij lofliederen voor vadertje Lenin uit haar hoofd leren.

Deutschland und kein Ende... Voor de Europese eenwording zul je eerst met die Teutonen in het reine moeten komen.

Zoals ik zei, het andere deel van hun nalatenschap bestaat uit landhuizen. Daarin woonden Duitse baronnen, die gewoonlijk als officier of diplomaat de tsaar dienden, totdat de nieuwe Estische republiek hen in 1920 onteigende en ze na eeuwen naar hun atavistische Heimat moesten terugkeren. Ik vermeld dit omdat de bus ons op een middag naar een lunch in Huize Palmse bracht, een abrikooskleurige oefening in de symmetrie waar de achttiende eeuw zo dol op was, met witte zuilen en krullen als de oren van een theeservies, omringd door een park vol bijgebouwen, vijvers, boothuizen en prieeltjes om zijn liefde in te verklaren; dit alles aan de landweg tussen de dorpen Viitna en Võsu gelegen, mocht iemand het willen bezoeken.

Ik beklom het bordes, samen met de Shetlandse dichter Robert Alan Jamieson, een veertiger die creative writing doceerde in Edinburgh.

,,Wat een schitterend huis'', zei ik, als altijd nostalgisch bij de aanblik van neoclassicistische bouwkunst, want ik ben in architectuur uit de Verlichting opgegroeid.

,,I dunno'', zei Alan. ,,Ik moet bij dit soort panden altijd denken aan de sukkels die het wel bouwden, maar er niet in mochten wonen.'' We lachten. Hij was geboren in een vissershut met een strodak, heel etnografisch.

Ook binnen werd hulde gebracht aan de gulden snede. Hier had de familie Von Pahlen gewoond; leden van de laatste generaties voor 1920 stonden in hun lijstjes op een bureau uitgestald, zwart-wit bevroren, alsof ze daar moesten wachten tot de geschiedenis nog eens met hen wilde schaken. De vensterbanken waren breed genoeg voor kussens: dat de kleine Von Pahlens daar bij gebrek aan een gameboy hadden zitten lezen, wist ik omdat ik het me herinnerde. En ik werd me opeens bewust van een van die kleine tragedies van het hedendaagse Europa, namelijk dat de jonge Estische intelligentsia geen Duits leerde, hoewel dat was toegestaan.

Schaapherders

Schotland telde vele talen, leerde ik van Alan; in drie daarvan schreef hij, het Engels, het Scots en het Shetlands. Het Scots was een Germaanse mengtaal, met een grammatica en een spelling; hij had een woordenboek Scots-Engels bij zich, waar ik me onmiddellijk in verloor. Maar nog veel interessanter was het Shetlands, het Sjetlin, gesproken door twintigduizend vissers en schaapherders, op de kale rotsen halverwege de Orkney Islands en Noorwegen. Het was in zoverre een dialect, dat er geen woordenboek bestond en geen officiële grammatica. De spelling moest Alan per gedicht eigenhandig uitvinden; overigens ervoer hij dat als een bevrijding, gegeven de aan het geniale grenzende absurditeit van de Engelse orthografie. Wanneer hij voorlas, hoorde ik Trainspotting vermengd met Noors, Fries en Nederlands, ongeveer zoals je de specerijen herkent in een exotisch gerecht; omgekeerd hoorde hij in mijn originelen ook Sjetlin.

,,Dat is niet zo gek'', zei hij. ,,Driehonderd jaar lang waren Hollandse vissers de enige buitenlanders die mijn voorouders te zien kregen. Och, well...''

We zaten op een van die cyclopische zwerfkeien in het water, als op een mini-Shetland; de zon bescheen zijn gelooide kop, waaruit de spitse oren van doctor Spock staken; hij kwam dan ook van even ver.

,,Ik ben tegelijk in de kleinste en de grootste westerse taal opgegroeid'', zei Alan.

,,Echte kosmopolieten zijn van provincialen gemaakt'', zei ik.

We luisterden naar Baltische vogeltjes en het lispelen van de binnenzee.

,,Weet je, op Shetland is een dichter nog een zanger, een skald. Zoals in de Oud-Noorse cultuur.''

,,Europa kan nog iets van ons leren.'' Ik bedoelde het ironisch, maar nog voor het zinnetje voltooid was, meende ik het al.

,,Dan moet het maar luisteren.''

Daar, op die steen in het water, bij een wachttoren uit een andere tijd, las ik hem zijn eigen `Standvastige ster' voor, een herinnering aan de vuurtoren op het eiland van zijn jeugd:

Midzomerschemer daalde op de rotsen

en rees boven hurkend Eshaness,

een lichte kanten sjaal lag over het noordland.

Eén eenzaam oog gaat open en dicht,

zoals in het zwarte hart van de winter.

Alles rondom zwelt op en krimpt,

wordt groen en groeit, verwelkt dan –

maansopgang en zonsondergang,

doodtij en springtij.

Sterrenbeelden dalen af onder de aarde

en nieuwe constellaties komen op

in de veranderende hemel,

alleen het licht van Eshaness knipoogt –

knip, knip, knipoogt – een staroog

dat maar kijk, kijk, kijkt.

Hij denkt: de goede herder

kijkt gelukkig ver.

,,Thank you, bridder skald'', zei Alan. ,,Nu zijn er duizend keer zoveel mensen die mij kunnen lezen.''

Er was ons ook gevraagd dit streven

kracht bij te zetten met volkseigen alcohol

Deze gnoom introduceerde zichzelf

als de eerste dichter in het Gaelic die gay was