Een spikje bladgoud

Midden op straat stond een mevrouw met een grote wieltjeskoffer wanhopig om zich heen te kijken. Zij klampte mij aan en vroeg of ik perhaps wist waar de so called Fondell Straight was waar de VVV haar naar toe had gestuurd. Dat wist ik wel, en het leek mij voor alle partijen het handigst als ik haar daar zelf meteen maar even naar toe bracht. Zo liepen wij naar de Vondelstraat. Dus vroeg ik maar eens waar zij vandaan kwam. `The States', zei ze. En ze vroeg mij dan maar eens waar de naam Vondelstraat vandaan kwam. Well, zei ik, Vondel was a famous Dutch writer. En ook een, how do you call it, famous Dutch playwright, een schrijver van toneelstukken. Aha, zei de mevrouw, terwijl zij de zware koffer over een paar tramsporen trok. Zolang wij maar dichter bij die Vondelstraat kwamen vond zij alles best. Je zou, hoorde ik mezelf zeggen, en het leek wel alsof ik de smaak te pakken kreeg, je zou Vondel more or less de Shakespeare van de Dutch literature kunnen noemen. Aha, zei de mevrouw opnieuw. Ik had daar nog wel wat meer over willen zeggen, in mijn steenkolenengels, maar toen waren we er al. We namen afscheid.

Ik liep weer verder en draaide in gedachten opnieuw de zojuist gevoerde miniconversatie af. Het geheel stemde mij wat treurig. Wat had ik eigenlijk gezegd? Wat wist ik er eigenlijk van? En wat was mijn presentatie weer armzalig geweest. Een groot oeuvre van een groot dichter teruggebracht tot een nietszeggende reclameleus. De dichter gekarakteriseerd door hem met een ander te vergelijken: hij zou de Shakespeare of de Nedderlens zijn geweest, want dat had ik wel eens ergens gelezen. Dat bleef er van een groot schrijver over: een moeilijk vindbare straat, een niet of nauwelijks meer gelezen oeuvre, voorzien van een loos etiket. Een dichter van horen zeggen. Gerard Reve: wie weet nog wie Tweede Helmers was?

Het lot van Vondel, en van Tweede Helmers, trof mij weer eens met een besef van plaatsvervangende nietigheid. Wat blijft er over van zoveel schoonheid? De schoonheid treft de mens `met het besef / een broodkruimel te zijn op de rok van het universum', schreef Lucebert, alweer lang geleden, in 1952. Het zijn gevleugelde regels geworden. Het beeld zal veel mensen hebben aangesproken door de alledaagsheid: de vertrouwde elementen brood, kruim en rok. En door de gedachte dat de nietige broodkruimel van vergankelijk spul is gemaakt: deeg, gist, gerezen, gebakken, kort vers, snel oud. Net als de mens. En door de gedachte dat de kruimel zich in een uiterst wankele positie bevindt: de drager of draagster van de rok hoeft maar even te gaan verzitten om de kruimel in een onbekende afgrond te laten verdwijnen – als hij al niet een gemakkelijke prooi is voor een toevallig passerende muis of overvliegende vogel.

Het is welbeschouwd een erg traditioneel, bijna bijbels beeld voor de nietige, vergankelijke mens. Het is niet moeilijk er een statenbijbelcontext bij te verzinnen, met een calvinistische strekking: een kruimel broods zijt gij en tot broodkruimel zult gij terugkeren, alzo de rok des Heren het wil. Het is helemaal geen beeld voor een wild experimenterende dichter, zoals Lucebert toen was, op zoek naar een nieuwe taal, met een nieuwe uitdijende syntaxis, in een poging `de ruimte van het volledig leven / tot uitdrukking te brengen'. Deze al even gevleugeld geworden regels komen curieus genoeg uit hetzelfde gedicht.

Om dit soort tegenstellingen gaat het vaak in poëzie, en niet alleen in experimentele poëzie, volgens mij. De grote greep hoort even goed bij het genre als het kleine geconcentreerde beeld. Indikken en weer uitwaaieren, broodkruimel en universum, een los gedicht en de ruimte van het volledig leven. Daarom is de poëziebloemlezing zo'n mooi tussenmedium. Het wil een oeuvre terugbrengen tot een harde kern, een etiket, een straatnaambord, maar ieder onderdeel van de bloemlezing wil zelf weer uitdijen tot een klein universum op zichzelf.

Ik wilde mij gaan verdiepen in het werk van de Turkse dichter Nazim Hikmet (1902-1963). Ik wist niets van hem, behalve dan dat hij de meest gelezen dichter van Turkije is. Al gauw begreep ik, uit de inleiding bij de bloemlezing De mooiste van Hikmet, dat alles groot en breed aan hem was. Een groot oeuvre, in alle genres. Een grote hoeveelheid poëzie. Een epos, Mensenlandschappen van mijn land, van zestigduizend regels. Een leven met veel ophef, veel gevangenisstraf, veel marteling, veel communisme, veel vrouwen, veel vrienden. Een dichter van en voor het volk wilde hij zijn. `Ik schrijf over liefde, over vrede, over revolutie, over leven, over dood, over vreugde, over verdriet, over hoop, over hopeloosheid. Ik wil dat alles wat eigen is aan de mens ook eigen is aan mijn poëzie. Ik wil dat de lezer in mijn werk de uitdrukking van alle gevoelens kan vinden.'

Maar toen ik de kleine bloemlezing uit dit allesomvattende oeuvre opensloeg, bleef ik meteen haken bij het allereerste beeld dat ik zag. `Onze wereld koelt af, / een ster tussen de sterren, / nog wel een van de kleinste, / een spikje bladgoud op blauw fluweel, / die reusachtige wereld van ons.' Ik had misschien moeten fronsen bij de opmerking dat de wereld afkoelt; tegenwoordig lees je juist meer over de opwarming. Ik had misschien moeten opmerken dat onze wereld geen ster is; zij is een planeet. Maar ik werd getroffen door het beeld dat erop volgde: `een spikje bladgoud op blauw fluweel'. De charme daarvan werd natuurlijk vergroot door de tegenstelling met wat dit spikje moest verbeelden: onze reusachtige wereld. Wat zal er met die afkoelende planeet gebeuren? Hikmet voegt er nog een tweede beeld aan toe, al even sprekend: `Ooit koelt deze wereld af / en zal niet eens als een ijsklomp / of een dode wolk, / maar als een lege notendop wegtollen / in het eindeloze stikkedonker.'

Ik moet bekennen dat ik daarna een hele tijd voor me uit heb zitten kijken en niet meer verder heb gelezen in deze ongetwijfeld rijke bloemlezing uit een ongetwijfeld rijk oeuvre. De wereld teruggebracht tot een lege notendop, een bladgoudspik in een koud en donker universum – dat was voorlopig wel even voldoende. Hikmet schreef zijn gedicht in 1948. Niet veel later dichtte een jonge Nederlandse experimenteel enkele duizenden kilometers verderop over zijn broodkruimelervaring. Misschien is het aardig om ze voor deze gelegenheid samen te brengen, de Lucebert van de Bosporus en de Hikmet van Bergen, in één tableau: een lege notendop, een spikkel bladgoud en een broodkruimel, op een rok van blauw fluweel.

De mooiste van Nazim Hikmet. Vertaald door Perihan Eydemir en Joris Iven e.a. Inleiding: Mehmet Emin Yildirim. Redactie: Koen Stassijns en Ivo van Strijtem. Lannoo/ Atlas, 160 blz., €15,95