Een conservatieve miljonair op oorlogspad

Een gelijkhebber was James Loudon, de achtenveertigste gouverneur-generaal van Nederlands-Indië. Op en top bestuurder ook, die de bemoeienis van het parlement en de pers hinderlijk en zelfs gevaarlijk vond. Zijn doortastendheid verraadt de ondernemer en advocaat die hij enige tijd was geweest, maar zijn wereldvisie was grondig conservatief. Ofschoon Loudon beslist niet wereldvreemd was of in het verleden leefde, integendeel, verstond hij de tekenen van zijn tijd niet goed. Zijn termijn als gouverneur-generaal was dan ook weinig gelukkig. Indië stond in die jaren op een breukvlak: het oude cultuurstelsel werd onttakeld, ondernemers kregen meer ruimte, en politiek en publieke opinie bemoeiden zich steeds meer met de koloniale staatszaken.

Op late leeftijd, hij was 62 toen hij eraan begon, schreef Loudon zijn `gedenkschrift', naar hij zegt op verzoek van zijn vrouw en kinderen. Het is nooit gepubliceerd en is ook niet met die intentie geschreven. Het zijn geen memoires van Loudons ambtsperiode als gouverneur-generaal, meer een breedsprakig relaas van zijn leven, vooral zijn werkende leven. Hoewel hij ook andere hoge posten had bekleed, als minister van Koloniën en commissaris van de koning in Zuid-Holland, was de post in Indië de hoogst bereikbare en was zijn korte episode als gouverneur-generaal de meest beslissende van zijn leven.

Loudon was een typisch product van de Indische samenleving. Zijn vader, een Schot, was in 1811 met de Engelse bezettingstroepen op Java gearriveerd, was er na de terugkeer van de Nederlanders gebleven en had zich als ondernemer ontpopt. Zijn zoon James bracht een groot deel van zijn jeugd in Indië door en werkte er na zijn studie als advocaat en hoge ambtenaar in Batavia. Hoewel conservatief, werd hij in 1871 door het liberale kabinet-Thorbecke voor het hoogste Indische ambt aangezocht. Dankzij zijn lange Indische ervaring, zijn bestuurlijke staat van dienst en de bescherming van Thorbecke was hij op papier geen slechte kandidaat.

Loudon kwam in 1872 in Indië aan. In krap drie jaar zou hij er weer verdwijnen. Nog op het schip, voordat hij zelfs maar een glimp van Indië had opgevangen, schreef hij zijn schoonvader: `Werkt men mij tegen, ik vraag terstond mijn ontslag. Ik heb 't onafhankelijkheidsgevoel van een millionair.' Niet bepaald woorden van een toegewijd ambtenaar die zich voor de publieke zaak inzette, maar schijn bedriegt. Het was zijn dadendrang die hem deed inzien dat hij het moeilijk zou krijgen. Hij dekte zich in tegen de bijna onvermijdelijke tegenslag.

Het ging inderdaad mis met Loudon. Hij liet zich kennen als een hooghartig bestuurder, die zich in de bekrompen en verzuurde Indische samenleving weinig populair maakte. Wat Loudon vooral nekte, was zijn conservatieve bestuursideaal. Hoewel geboren in Den Haag, had hij een groot deel van zijn jeugd in Indië doorgebracht, op de suikeronderneming van zijn vader in het Noord-Javaanse Pekalongan. Indië was in die jaren door en door autocratisch, zij het van een ambtelijke soort, en in elk geval geen kweekvijver van democratisch denken. Als gouverneur-generaal was Loudon fel gekant tegen de groeiende invloed van het parlement in koloniale zaken, terwijl deze in de jaren zestig en zeventig juist werd versterkt. Dit was zeer tegen de zin van Loudon, die zich als een onderkoning beschouwde en zich op allerlei manieren aan de controle van Den Haag onttrok.

Nog groter afschuw had Loudon voor de pers. Nu stonden de Indische kranten bekend om hun vuilspuiterij, maar bij afwezigheid van enige vorm van volksvertegenwoordiging was de pers de enige wijze waarop de publieke opinie zich kon uiten. En dat ook in alle heftigheid deed. Loudon zag hierin een gevaar voor het koloniale gezag: `Het dagelijksch werk van de pers bestaat in het ondermijnen van ons zedelijk overwicht'. Hij zon zelfs op maatregelen om de pers aan banden te leggen en al te kritische redacteuren te kunnen verbannen, maar zijn plannen kregen geen steun.

Loudons loyaliteit aan de koning en Thorbecke, zijn beschermheer, was groot, maar zijn stiff upper lip en eigengereide doortastendheid werden in Den Haag slecht ontvangen. In 1874 werd hij gepasseerd voor een onderscheiding. De verantwoordelijke minister was nota bene I.D. Fransen van de Putten, die ooit administrateur was geweest op Loudons suikeronderneming. Erger was de behandeling van zijn nieuwe minister, de conservatief Willem van Goltstein, die weigerde Loudon te steunen toen hij kritiek kreeg voor zijn al te voortvarende – liberale – agrarische beleid.

Loudons memoires geven een prachtig beeld van de bestuurlijke coterieën en politieke kleingeestigheid. Dat zich intussen zaken afspeelden die veel ingrijpender waren, zou je bij lezing van deze regenteske herinneringen bijna vergeten. Loudon is vooral bekend geworden als de gouverneur-generaal die het startsein gaf voor de zo desastreuze oorlog in Atjeh. Hij dacht deze `roversstaat' tot erkenning van het Nederlandse gezag te brengen, maar misrekende zich volledig. Atjeh was niet het soort tegenstander dat met een kort en krachtig vertoon van wapens tot gehoorzaamheid kon worden gebracht. Het werd het begin van dertig jaar bloedvergieten.

Door zijn voortijdige vertrek en zijn mislukte campagnes in Atjeh is Loudon niet bepaald als een groot gouverneur de geschiedenis ingegaan. Hij bleef het stigma van mislukking meedragen. Zijn `gedenkschrift' heeft ruim honderd jaar tussen de familiepapieren gelegen en verschijnt nu voor het eerst in druk, voorbeeldig toegelicht door drie Groningse historici. Het lijkt alsof Loudon de memoires werkelijk alleen voor zijn naasten heeft geschreven. Hij had zich volkomen van de politiek afgekeerd, en hij voelde zich – trouw aan zijn ietwat autistische bestuursopvatting – niet geroepen zich publiekelijk te verdedigen. Hij had in dienst van het land gehandeld.

Zijn gedenkschrift druipt niet van de frustratie, maar Loudon was wel beledigd. Na zijn terugkeer naar Europa keerde hij de politiek de rug toe en ging in Brussel wonen. Pas later trok hij naar Den Haag, maar bleef angstvallig buiten de actieve dienst. Toen hij op straat zijn oude minister Goltstein tegen het lijf liep, beende deze hem straal voorbij.

Henk Boels, Janny de Jong en C.A. Tamse (red.): Eer en fortuin. Leven in Nederland en Indië 1824-1900. Autobiografie van gouverneur-generaal James Loudon. De Bataafsche Leeuw, 510 blz. €35,–