Drie generaties van inkt en papier

In haar beroemd geworden essay `Mr Bennett and Mrs Brown' (1924) keerde Virginia Woolf zich tegen het realisme van Britse collega's als Arnold Bennett en John Galsworthy. Literatuur, zo stelde ze, moest niet blijven steken in oppervlakkigheden, in beschrijvingen van het uiterlijk en de omstandigheden van de personages. Romanciers moesten de diepte in, om te laten zien wat hun hoofdpersonen werkelijk bewoog. Hoe je dat het beste kon doen, illustreerde Woolf een jaar later met Mrs Dalloway, een roman die met behulp van monologue intérieure en meervoudig perspectief een onvergetelijk beeld gaf van een schijnbaar doodgewone Londense societydame.

Aan Woolfs verkettering van het realisme moest ik denken bij het lezen van Een onschuldige familie, het debuut van de literatuurhistorica Marijke Spies (1934). Het verhaal van een artistieke en bemiddelde familie te midden van de gruwelen van de 20ste eeuw is in aanleg boeiend genoeg. Spies schonk haar personages – een concertpianist, een moeder met een lesbische vriendin, een fotograaf, een autocoureur, een fabrieksdirecteur, een universitair docente – een leven dat hen in aanraking brengt met de groten der aarde. Maar ze vergat hen te voorzien van karakter. De drie generaties Elling bestaan vooral uit inkt en papier; hun avonturen vervagen in het geheugen dan ook snel.

Schuld en boete zijn de overheersende thema's van Een onschuldige familie. De hoofdpersoon van het naoorlogse gedeelte van het boek, de historica Willemien, realiseert zich al op jonge leeftijd dat `haar hele puberteit was beheerst door de vraag of haar ouders wel ,,goed'' waren geweest.' Ze ziet dat als de reden dat ze zich in de jaren zestig als een activiste ontpopte. `Omdat er na alles maar één ding overbleef en dat was: niet fout te zijn. Het was een besef geweest van schuldeloze schuld dat maakte dat elke daad, van demonstreren tot en met bezetten, voorzien was van een moreel waarmerk.'

Willemiens twijfel aan de integriteit van haar ouders, ooms en grootouders lijkt terecht. De lezer heeft hen dan al 240 bladzijden, of liever 28 jaar, in actie gezien: grootvader Herman, die als concertpianist bijna de hele Tweede Wereldoorlog doorspeelde voor de nazitop; grootmoeder Cornelie, die misschien wel te weinig heeft gedaan om haar joodse vriendin te redden van vervolging; oom Bert, die zich als topcoureur van Fiat encanailleerde met het fascisme van Mussolini; en Willemiens vader, die directeur was van een fabriek die samenwerkte met de Duitse makers van gifgas. Alleen oom Wim, een homoseksuele fotograaf, is moreel min of meer rechtdoorzee geweest – al heeft hij door zijn kosmopolitisme en zijn gereserveerdheid zijn ouders veel verdriet gedaan.

Maar hoe `schuldig' zijn Willemiens familieleden eigenlijk? Herman speelde voor de Duitsers, maar niet uit ideologische overwegingen – hij is de egocentrische kunstenaar (type Mephisto van Klaus Mann), die de kunst niet in verband kan zien met de boze politiek. En ook voor de anderen gelden verzachtende omstandigheden; per slot van rekening is de wereld niet zo zwart-wit als ze lijkt. Die laatste moraal, die we sinds Pastorale 1943 (1948) en De donkere kamer van Damokles (1958) moeilijk origineel kunnen noemen, regeert Een onschuldige familie. Maar meer dan aan de oorlogsklassiekers van Vestdijk en Hermans doet het debuut van Spies denken aan De tweeling, de veel bravere studie in goed en fout van Tessa de Loo. En dat komt vooral door de vlakke, af en toe meisjesboekachtige stijl.

Een onschuldige familie is een ouderwets boek, waarin het alwetende vertellersperspectief snel gaat irriteren. Niet alleen wemelt het van zinnetjes als `Het zou bijna twee jaar duren voordat ze hem terugzag' en `Er waren er wel meer die die nacht wakker lagen'; ook worden er al te gemakkelijke parallellen getrokken. Zo wordt een beschrijving van een luxe hotellounge in nazi-Duitsland gevolgd door de zin `Zo'n tweehonderd kilometer verderop werd Greet Landauer in een beestenwagen geduwd en afgevoerd naar Auschwitz, maar dat kon niemand weten.'

Beter op dreef is Spies als ze het perspectief verlegt naar Willemien, en beschrijft hoe die na de oorlog als wetenschappelijk medewerker steeds radicaler wordt en zich zelfs aanmeldt als lid van de communistische partij. En dat allemaal omdat ze worstelt met `de schuld van een schuldeloze generatie'. Uiteindelijk is het de gijzelingsactie van een aantal stuntelende Marokkaanse terroristen – niet het sterkste deel van het boek – die Willemien doordringt van de heilloze invloed van ideologieën, `die maar doorwoekerden en doorwoekerden en op de meest onverwachte momenten de kop opstaken'.

Ambitie en verteltalent toont Spies zeker in haar debuut. Maar de generatie/familieroman is een moeilijk genre dat ook nog eens hoge eisen stelt aan het vermogen van de auteur om tijd te verdichten. Spies roetsjt door de eeuw heen, waardoor sommige jaren of periodes er bekaaid afkomen. `Zo veel jaren geleden,' verzucht Willemien tegen het einde van het boek. `Gek eigenlijk, dat je je leven maar zo'n beetje voorbij had laten gaan met dit en met dat, met zus en met zo. Je wist niet eens meer hoe het had gevoeld.' Een zelfde gedachte bekroop mij nadat ik Een onschuldige familie had uitgelezen.

Marijke Spies: Een onschuldige familie. Querido, 364 blz. €17,95