Chailly begint afscheid met overweldigende Don Carlo

Don Carlo, de grootse Verdi-voorstelling waarmee Riccardo Chailly deze maand afscheid neemt van het Amsterdamse Muziektheater, is met zijn enorme allure niet alleen hèt opera-evenement van het jaar maar ook dè muzikale gebeurtenis van dit seizoen. Samen met het een zeer gedreven Koninklijk Concertgebouworkest en een voortreffelijke vocale cast, zorgen dirigent Riccardo Chailly en regisseur Willy Decker voor een fenomenaal sterke en monumentale Don Carlo.

De publieke bijval voor deze Don Carlo was gisteravond groot. Alle voorstellingen zijn al manden uitverkocht, maar 19 en 22 juni zijn er gratis videovertoningen in het Oosterpark. Een televisieregsistratie wordt in december uitgezonden.

Don Carlo, voor het eerst gedirigeerd door Chailly, krijgt hier weer eens een nieuwe versie, de zoveelste, en een muzikaal en scènisch opzienbarende en volledig overtuigende interpretatie. De proloog is geschrapt, de overgebleven vier actes van Verdi's epische superopera zijn gereorganiseerd in twee delen rond een pauze. Her en der zijn coupures doorgevoerd, vooral in de befaamde scène met het auto-da-fé, de ketterverbranding door de Spaanse Inquisitie. Dat leidt tot een Don Carlo die als geen andere Verdi-opera dramatisch begint in medias res en zich onontkoombaar afwikkelt.

De sobere, grijswitte enscènering heeft nauwelijks oog voor de buitenwereld, maar concentreert zich op de complexe onderlinge verhoudingen tussen de voornaamste personages. Van hen krijgt een aantal in het regieconcept van Willy Decker een nieuw profiel, al heeft de neoklassieke voorstelling – de beste Verdi ooit in het Muziektheater – ouderwetse pathetiek. De door elkaar heen gevlochten politieke problemen in Vlaanderen, de wisselende liefdesrelaties, de machtsconflicten in de Spaanse dynastie en het religieus fundamentalisme die Don Carlo beheersen, worden door regisseur Decker feilloos gefileerd en geduid met een aansprekende symboliek.

Don Carlo, de Spaanse kroonprins, is zijn bruid Elisabeth kwijtgeraakt aan zijn vader, koning Filips II. Carlo wordt hier in de grandioze vertolking van Rolando Villazón voorgesteld als een Christus-achtige wereldverbeteraar. Zo verschijnt hij zelfs een keer aan zichzelf, genageld aan het kruis. Don Carlo is een pathologisch zielig geval. Alles wat hij doet gaat verkeerd, hij verliest zijn geliefden en idealen, hij raakt elke zekerheid kwijt en wankelt, vernederd en vallend, wanhopig door zijn eigen opera.

De Mexicaan Rolando Villazón verricht tijdens zijn debuut in deze rol urenlang fysiek en vocaal verbazingwekkende prestaties. Zijn tenorentimbre is tragisch donker gekleurd, hij zingt zeer krachtig maar altijd met een hoogst expressieve, gedetailleerde lyriek. Hij verbeeldt Don Carlo op extreme wijze, zonder ergens vastheid te vinden, heen en weer geslingerd tussen getergde overmoed en ellendige depressiviteit.

Ook wankelt Don Carlo tussen twee vrouwen, elk ook steeds op zoek naar vastheid: zijn voormalige geliefde Elisabeth en het domme dwaallicht Eboli, die op hem verliefd is. Amanda Roocroft is een geweldig zingende koningin Elisabeth, nobel en integer, maar bedrogen en vernederd. In haar grote aria Tu che la vanità ziet ze dat alles ijdelheid is en schijn en neemt ze afscheid van de wereld. En ook Eboli, vertolkt door Violeta Urmana, doet dat tenslotte in het fantastisch gezongen O dan fatale.

De zoon Carlo wordt, net als Christus, geofferd door de vader, koning Filips II, gekarakteriseerd als God, die de wereld beheerst. Hij is oppermachtig en onverbiddellijk streng, maar hij is hier, met verpletterend gezag uitgebeeld door de ontzagwekkende bas Robert Lloyd, ook een eenzame tragische figuur. Zijn kroon is nauwelijks meer dan een loos ornament, hij faalt als koning, als echtgenoot en als vader. Liggend op zijn grafkist verlangt hij naar de dood.

Filips verliest niet alleen zijn zoon, maar ook diens hartsvriend Rodrigo, die de koning het leven redde toen Carlo hem met een zwaard aanviel. In de uitstekende vertolking van Rodrigo door de Amerikaanse bariton Dwayne Croft, heerlijk zingend in zijn eigen aria's en in het meeslepende duet met Carlo.

Al lijkt Filips God zelf, hij is onderhorig aan de oppermachtige Groot-Inquisiteur. Die ziet eruit als een paus maar is in feite de duivel in de schrikwekkend barse vertolking van de Finse bas Jaakko Ryhänen. In zijn intense, diepgaande muzikale uitbeelding draagt Chailly daaraan bij door zulke demonische passages te laten klinken alsof een luik naar de hel wordt geopend.

Alles speelt zich af in de graftombe van het Escorial-paleis. De namen van de talloze voorvaderen wier lijkkisten zijn ingemetseld in de marmeren muren, zien neer op de wringende handeling, die hier de keerzijden krijgt van de thema's `Oidipoes' en `Tristan und Isolde'. De bruid die Don Carlo door de koning is ontstolen, wordt zijn stiefmoeder. Zij vraagt hem, `mijn zoon', zijn vader te vermoorden om weer haar minnaar te kunnen worden. Tevergeefs verheft Don Carlo het zwaard tegen zijn vader. Uiteindelijk doorsteekt hij – niet volgens het libretto, maar wel in de geest daarvan – zonder aarzelen zichzelf, als de schim van zijn overleden grootvader Karel V Don Carlo vertelt dat zijn hart pas rust zal vinden in de hemel.

Voorstelling: Don Carlo van G. Verdi door de Nederlandse Opera en het Kon. Concertgebouworkest o.l.v. Riccardo Chailly. Decor en kostuums: Wolfgang Gussmann; regie: Willy Decker. Gezien: 3/6 Muziekthater Amsterdam. Herh.: t/m 27/6 (uitverkocht). Radio 4: 19/6 19u. Videoprojectie: 19, 22/6 19.30 uur Oosterpark Amsterdam.