Britannia rules the waves niet meer

Een toenemend aantal Britse defensiebedrijven komt in buitenlandse handen. Niet het landsbelang, maar concurrentie is de drijvende kracht. `Wie de eigenaar is doet er niet toe.'

Slechte tijden voor patriotten. Britannia rules the waves al een tijdje niet meer en in de industrietak die het ooit mogelijk maakte geldt iets soortgelijks. Want Britse defensiebedrijven komen massaal in buitenlandse handen. AgustaWestland, de enige leverancier van helicopters aan de Britse strijdkrachten, was al voor de helft eigendom van het Italiaanse Finmeccanica. Vorige week verkocht moederbedrijf GKN de andere helft ter waarde van ruim een miljard pond (1,5 miljard euro). Het was de zoveelste bevestiging van een langdurige trend.

Het Franse Thales heeft koortsachtig gewinkeld in het Verenigd Koninkrijk. Het verwierf de afgelopen jaren onder meer radar- en elektronicabedrijf Racal, Pilkington Optronics (richtapparatuur en sensoren) en de raket-afdeling van de Noord-Ierse vliegtuigbouwer Shorts. Messier-Dowty, het grootste bedrijf ter wereld dat landingsgestellen voor vliegtuigen maakt, is ook in Franse handen. QinetiQ, het twee jaar geleden geprivatiseerde Britse TNO, is in bezit van het Amerikaanse venture capital-bedrijf Carlyle.

Gisteren leek de trend van verkoop aan het buitenland doorbroken te worden. Alvis, bouwer van de Britse Challenger-tanks en Warrior-pantserwagens die dienst doen in Irak, zou zo goed als zeker eveneens in Amerikaanse handen komen. Op de dag dat de Britse regering defensiereus General Dynamics het groene licht gaf voor een bod van ruim 300 miljoen pond, deed het Britse BAE Systems, dat al ruim een kwart van Alvis bezit, een tegenbod van 355 miljoen pond in cash. De Amerikanen hebben intussen laten weten hun bod niet te zullen verhogen.

Toch is die trendbreuk schijn. BAE Systems, het voormalige British Aerospace en `hofleverancier' van straaljagers, electronica, marineschepen en raketten, concentreert zich met de overname van Alvis op defensiesystemen ter land en in de lucht. Zo zou het een aantrekkelijker partij kunnen worden voor een fusie met het Amerikaanse Boeing, waarover al langer wordt gespeculeerd. Bovendien weigert BAE de hardnekkige geruchten te ontkennen dat het zijn scheepswerven in Schotland in de etalage wil zetten, waar nu fregatten en nucleaire onderzeeboten op stapel staan. Drie van de vier belangrijkste gegadigden voor de werven zijn Amerikaanse bedrijven: Kellogg, Brown & Root (dat al een werf in Portsmouth bezit), Northrop Grumman en, opnieuw, General Dynamics. De vierde is het Britse Vosper Thornycroft (VT).

Met die verkoopgolf aan buitenlandse defensiebedrijven neemt het Verenigd Koninkrijk een uitzonderingspositie in. Het land is, in de woorden van Defense News, het vakblad voor de wereldwijde aerospace- en defensieindustrie, ,,een laboratorium voor hervorming waar concurrentie de drijvende factor is''.

Dat is ,,fundamenteel anders dan in [continentaal] Europa en Noord-Amerika, waar de industrie wel mondiaal denkt, maar de inkopers van de regering en de opstellers van het industriebeleid niet'', aldus het blad.

Die positie is al een tijdje officieel Brits beleid. ,,Wie de eigenaar is doet er niet toe'', zei de Britse minister van Defensie, Geoff Hoon, vorig jaar. Behalve met vergunningen voor buitenlandse verkopen heeft hij daar ook naar gehandeld bij het verlenen van opdrachten. Zo probeert hij al langer het semi-monopolie van BAE Systems te breken, met name bij grote marine-orders, na een reeks kolossale kostenoverschrijdingen en vertraagde leveranties door dat bedrijf. De Britse regering dwong BAE de bouw van twee nieuwe vliegdekschepen te delen met het Franse Thales en nam BAE bovendien zijn status als `hoofdaannemer' af. Ook verdeelde het de bouw van fregatten en transportschepen over een reeks werven, waaronder de werf Swan Hunter in Newcastle-upon-Tyne, die eigendom is van een Nederlandse zakenman.

Dat beleid geniet geen algemene steun. Vakbonden en parlementariërs met werven en andere defensiefabrieken in hun kiesdistricten vrezen dat buitenlandse eigenaars in nood het eerst zullen snijden in hun personeel bij Britse dochters. Maar sinds kort neemt ook de `strategische' onrust toe. Volgens de Defense Industries Council, een lobbykoepel, wordt de ,,Britse soevereiniteit bedreigd als de industriële basis verdwijnt die onze strijdkrachten bedient''.

En ook in regeringskring groeit twijfel, omdat het gevaar bestaat dat de Britse regering met de verkopen ook het initiatief en de capaciteit uit handen kan geven voor research and development. Om maar te zwijgen van nucleaire en andere technologie, zoals cryptografie, die ze in het landsbelang acht. ,,Het is urgent om een duidelijker positie in te nemen over de vraag welke capaciteiten we van vitaal belang vinden en in het land willen houden'', gaf Lord Willie Bach, de staatssecretaris voor defensie-aankopen eind vorige maand toe in het parlement.

Op korte termijn is dat risico gering. Buitenlandse bedrijven doen hun overnames immers omdat ze winst hopen te maken met hun Britse dochters en de hooggekwalificeerde werknemers. ,,We maken goede spullen met goede mensen'', vatte Paul Beaver, oud-hoofdredacteur van defensieblad Jane's die analyse tegenover de BBC samen. Maar hij benadrukte ook dat het van essentieel belang is die goed opgeleide arbeiders in eigen land te houden.

Of dat op langere termijn lukt is minder zeker. Het defensiebudget (nu 5,5 miljard pond oftewel 8,2 miljard euro) blijft krimpen en de Britse strijdkrachten winkelen zelf ook meer in het buitenland. De afgelopen twintig jaar is het aantal werknemers in de defensie-industrie gehalveerd tot ruim 200.000 en cruciale technologie is in die tijd al naar het buitenland verdwenen. Door in te tekenen op de Amerikaanse Joint Strike Fighter (JSF) verloor BAE Systems bijvoorbeeld de facto zijn voorhoedepositie op het gebied van jachtvliegtuigen. ,,Daar krijgen we nog spijt van'', zei BAE-voorzitter Dick Evans.

    • Hans Steketee