Column

Zeg kabinet, nog even over die AOW-leeftijd

Nu ook de economen van het Centraal Planbureau het zeggen, is er eigenlijk geen houden meer aan: de AOW-leeftijd gaat wel erg hard en snel omhoog. Dat is fijn voor de overheidsfinanciën, maar is het ook houdbaar, vraagt het CPB zich in een donderdag verschenen notitie af.

Wat is er aan de hand? In 2021 krijgen mensen op 67-jarige leeftijd hun staatspensioen AOW. Vanaf 2021 wordt de leeftijd gekoppeld aan de levensverwachting. Langer leven betekent automatisch langer werken. Als de levensverwachting fors stijgt en de arbeidsmarkt verder flexibiliseert, „kan de verzekering tegen de oude dag en arbeidsongeschiktheid schraal blijken”, schrijft het CPB. Want niet iedereen houdt dat steeds langere werken vol.

Dat is een probleem voor met name de weinig verdienende ouderen van dit moment die zich daar nauwelijks op hebben kunnen voorbereiden. Zij hebben vaak een slechtere gezondheid en zwaardere beroepen. Maar het is ook een probleem in de toekomst voor degenen die het ondanks voorbereiding op langer werken niet redden, en voor de groeiende groep zzp’ers die niet verzekerd zijn tegen arbeidsongeschiktheid.

Het CPB is de zoveelste in een rij van deskundigen die wijzen op problemen door de hogere AOW-leeftijd. Begin dit jaar waarschuwden bedrijfsartsen dat met name mensen met lage inkomens en zwaar werk de latere AOW-leeftijd niet halen. Daarna volgden onderzoekers van demografisch instituut NIDI die zich afvroegen of het wel rechtvaardig is dat alle winst in levensverwachting op moet gaan aan werk. Ouderen horen pas op late leeftijd wanneer ze met pensioen mogen, dat maakt ze onzeker en boos, constateerden zij. In de zomer volgde Raymond Montizaan van onderzoekscentrum ROA: lager opgeleiden werken nu al langer door dan hoger opgeleiden. Hoger opgeleiden kunnen het zich veroorloven eerder met pensioen te gaan, lager opgeleiden niet. Terwijl lager opgeleiden eerder gezondheidsproblemen hebben. Dat is wrang: de mensen die het gezondst kunnen doorwerken, gaan het jongst met pensioen.

Dit kabinet doet vrijwel niets met deze waarschuwingen. In het regeerakkoord staan vooral vermanende woorden: door kunnen werken tot de pensioenleeftijd is een verantwoordelijkheid van werknemers zelf en hun werkgevers. Er moet een „cultuuromslag” komen en „leeftijdsbewust personeelsbeleid”. Iedereen moet een „leven lang” blijven leren. En voor wie het dan niet redt blijft de speciale uitkering voor werkloze ouderen langer bestaan. Die IOW-uitkering is op bijstandsniveau. Maar anders dan in de bijstand hoeven deze 60-plussers niet eerst hun vermogen op te maken.

Toch denk ik dat de kans groot is dat het kabinet wat aan de AOW-leeftijd gaat doen. Het kabinet wil namelijk een sociaal akkoord sluiten met werkgevers en vakbonden, over een nieuw pensioenstelsel en over de regels rond ziekte, ontslag en zzp’ers. De vakbonden moeten echt wat groots binnenslepen voor hun achterban, willen ze een akkoord tekenen. Zeker omdat de lobbyclubs van bedrijven wel erg blij reageerden op het regeerakkoord. Vakbond FNV zet in op een minder snelle verhoging van de AOW-leeftijd en op een regeling voor mensen met een laag inkomen. De bond vindt daarbij óók bedrijven aan haar zijde: zij zien dat een deel van hun personeel het niet volhoudt, bijvoorbeeld in de industrie.

Groot probleem voor het kabinet is dat elke verzachting van de hogere AOW-leeftijd duur is: het kost zo miljarden. Dus zal er gezocht worden naar een manier om alleen de mensen te helpen die het echt niet halen. Maar hoe baken je dat af? Zwaar werk is bijvoorbeeld moeilijk te definiëren. In de polder valt al te horen: je kan het recht op een vroege AOW koppelen aan een laag inkomen en de sector waar je werkt. Als ik minister van Financiën Wopke Hoekstra was, zou ik alvast een dikke pot ‘AOW-tegenvallers’ klaarzetten.

Marike Stellinga is politiek verslaggever en econoom en schrijft elke zaterdag op deze plek over politiek en economie.