Het tekort van Europa

Het wassende water van de economische realiteit dreigt de fundamenten onder het budget van minister Zalm weg te spoelen. Door de tegenzittende conjunctuur vallen de belastingontvangsten lager uit, terwijl in het bijzonder de uitgaven voor collectief gefinancierde gezondheidzorg sneller blijven stijgen dan in het regeerakkoord is voorzien. Hierdoor overschrijdt het tekort op de overheidsbegroting zowel in 2003 als in 2004 de limietwaarde van 3 procent van het bruto binnenlands product (bbp) die is vastgelegd in het pact voor stabilititeit en groei dat de twaalf landen uit de eurozone met elkaar hebben gesloten. Inmiddels is dat pact een dode letter. Het tekort in Duitsland en Frankrijk bedraagt rond de 4 procent van het bbp, Griekenland is in overtreding door hoge uitgaven voor de Olympische Spelen en Italië weet het tekort alleen beneden de 3 procent te houden door eenmalige maatregelen.

Het stabiliteitspact bevat nóg een norm voor de overheidsfinanciën, waar je minder over hoort. De schuld van de overheid mag niet hoger zijn dan 60 procent van het bbp. De helft van de eurolanden zit daar boven. Gemiddeld bedraagt de schuld van de eurolanden nu 70 procent van het bbp. Samen zijn zij ongeveer 3 procent van het euro-bbp kwijt aan rentelasten. Het beslag dat de rentelasten op de begroting leggen, gaat ten koste van andere uitgavenposten. Dat wringt: op middellange termijn staan de overheidsuitgaven onder toenemende opwaartse druk, doordat de vergrijzing van de bevolking leidt tot hogere uitgaven voor zorg en ouderdomspensioenen. Om de boeken sluitend te krijgen zijn dan opnieuw drastische bezuinigingen nodig, tenzij eurolanden er voor zouden kiezen de belastingdruk op te voeren. Nationale regeringen zijn daarmee terughoudend. Verzwaring van de lasten op arbeid kost banen, verhoging van de BTW kost stemmen en betekent meer inflatie.

Er bestaat een verleidelijke uitweg, die tijdelijk soelaas lijkt te bieden: hogere tekorten aanvaarden. Om die af te dekken moeten overheden echter nog meer schulden maken, waardoor op iets langere termijn de rentelasten alleen maar zwaarder gaan drukken. Het stabiliteitspact sluit deze vluchtweg dan ook af: op papier hebben de eurolanden zich verbonden te streven naar een overheidsbegroting die min of meer in evenwicht is, of zelfs een overschot toont. Overschotten zijn beschikbaar om schuld af te lossen. Hierdoor dalen op termijn de rentelasten, waardoor op de overheidsbegroting juist méér ruimte ontstaat om de stijgende kosten van de vergrijzing op te vangen.

Minister Zalm wil de bepalingen van het stabiliteitspact implanteren in de komende Europese grondwet. Hij zal bakzeil moeten halen, omdat de grote lidstaten daar niets voor voelen. Vooral Frankrijk en Duitsland bepleiten ``meer flexibiliteit''. Beide landen koersen aan op het vierde achtereenvolgende jaar met een excessief tekort op hun begroting. Eenmaal raden hoe hoog hun tekort inmiddels zou zijn opgelopen als het pact grotere vrijheid inzake de overheidsfinanciën zou toestaan.

Toch kan onze minister van Financiën beter een andere onderhandelingsstrategie kiezen. Hij moet meehuilen met de wolven in de financiële wildernis en proberen zijn gelijk te halen via vernieuwde budgettaire spelregels. Die regels mogen best flexibel heten, mits zij effectief garanderen dat de overheidsfinanciën van de lidstaten houdbaar blijven. De houdbaarheid van de overheidsfinanciën hangt vooral af van de economische groei. We nemen aan dat de Europese Centrale Bank de inflatie weet te stabiliseren op 2 procent per jaar. Bij 3 procent groei valt een jaarlijks tekort van 3 procent dan te rijmen met een schuld gelijk aan 60 procent van het bbp (de limieten uit het pact). Een land als Ierland haalt die groei op zijn sloffen. Voor de huidige boosdoeners – Frankrijk, Duitsland en ook Nederland – is 3 procent groei per jaar echter niet haalbaar, door de noodlottige samenloop van een vrijwel stagnerende beroepsbevolking en een geringe stijging van de productie per gewerkt uur (de productiviteit). Deze landen mogen hun handen dichtknijpen als ze uitkomen op een groei van 2 procent per jaar. Om te bereiken dat de overheidsschuld beneden de 60 procent van het bbp blijft, mag het maximale tekort dan slechts 2,4 procent zijn.

Flexibele normen zijn niet slecht, mits zij het toelaatbare tekort koppelen aan haalbare economische groei. Redding voor Frankrijk en Duitsland biedt deze aanpak niet. De onderhandelaars van de grootmachten zullen daarom proberen de beoordeling van de groeiperspectieven tot een politieke beslissing te maken. Vervolgens zal de groei systematisch worden overschat om meer financiële armslag te kwijgen. Dat moet Zalm koste wat kost zien te verhinderen. Of hij succesvol kan opereren is ook in dit scenario hoogst onzeker. De meeste politici zijn alles behalve gebrand op een deugdelijk huishoudboekje van de overheid. Via op den duur onhoudbare tekorten proberen zij de lasten zo lang mogelijk door te schuiven naar de toekomst, totdat de wal het schip keert. Dat kun je het echte tekort van Europa noemen.

    • Flip de Kam