Het strafgat

De maximumstraffen in Nederland staan onder druk. Onder opwaartse druk, wel te verstaan. Er zijn verschillende voorstellen in bespreking om met name voor geweldsdelicten het wettelijk plafond te verhogen. Speciale aandacht gaat daarbij uit naar het zogeheten `gat' in de hoogste straf die ons land kent, namelijk die voor moord: twintig jaar of levenslang. Dat kan een zware keus zijn voor de rechter in een zware strafzaak. In de Tweede Kamer wordt nu bepleit deze kloof te verkleinen door het maximum van twintig jaar te verhogen tot dertig jaar. De keuze om de grens te trekken bij twintig jaar is meer dan een eeuw oud. De reden was ,,dat personen van welken leeftijd ook, die meer dan twintig achtereenvolgende jaren in een gevangenis hebben doorgebragt, geheel onbekwaam en ongeschikt zijn om in het vrije leven terug te keren''. Zo gezien is het gat met levenslang een stuk minder groot. Dat dit gat toch weer ter discussie staat, heeft veel te maken met de voorwaardelijke invrijheidsstelling. Deze is over de hele linie vastgesteld op tweederde van de straftijd. Zeker na aftrek van de ondergane voorlopige hechtenis, komt een gevangenisstraf van twintig jaar daardoor neer op een jaar of dertien.

De andere maximumstraf, levenslang, is juridisch gezien wat het woord zegt: levenslang. De enige uitweg is gratie, waarbij een veroordeelde zoals dat heet ,,op jaren wordt gesteld'', zodat de voorwaardelijke invrijheidsstelling alsnog gaat werken. Gratie is geen recht maar een gunst. Ook hier is echter beweging. Iedere vrijheidsstraf heeft volgens de wet mede het doel de gedetineerde voor te bereiden op terugkeer in de maatschappij (het resocialisatiebeginsel). Dit wettelijk strafdoel is tegenwoordig een beetje uit de mode, maar het geldt voor élke vrijheidsstraf. De tenuitvoerlegging van levenslang waarbij van meet af aan geen rekening wordt gehouden met zelfs de mogelijkheid van invrijheidsstelling is ,,niet toelaatbaar'', aldus de vorig jaar overleden voormalige procureur-generaal bij de Hoge Raad en hoogleraar Remmelink. Dat kan zijn uitwerking op de gratiepraktijk niet missen.

Een complicatie is dat het wettelijk strafmaximum van twintig jaar of levenslang een belangrijk oriëntatiepunt vormt voor een systeem van speciale strafmaxima voor diverse groepen van delicten. Minister Donner (Justitie) hikt er daarom tegenaan om te morrelen aan de grens van twintig jaar. Dat is ook niet nodig. Donner heeft al aangekondigd dat het automatisme van voorwaardelijke invrijheidsstelling na tweederde van de straftijd wordt afgeschaft. Dat is om allerlei redenen verstandig. Het herstelt in elk geval de betekenis van twintig jaar als maximumstraf. De minister wil zelfs dat de rechter bij de veroordeling voorwaardelijke invrijheidsstelling bij voorbaat kan uitsluiten. Dat is echter in strijd met het wettelijke beginsel van de tweede kans. De rechter kan in een vonnis van levenslang ook niet op voorhand zeggen dat gratie niet mogelijk is.

De keuze tussen twintig jaar en levenslang blijft moeilijk voor de rechter. Er is een traditie van de grootst mogelijke terughoudendheid bij het opleggen van levenslang. Daarbij vergeleken is er de afgelopen jaren sprake van een opmerkelijke toename. Is dat niet een argument om het tijdelijk strafmaximum toch maar op te hogen tot dertig jaar als tegenwicht? Hier blijkt nu net het belang van Donners bezwaar tegen een opportunistische verstoring van het wettelijk strafsysteem. Juist omdat de keuze tussen twintig jaar of levenslang een ijkpunt is, moet zij moeilijk blijven.