Een Amerikaanse afrekening op niveau

De Verenigde Staten onderzoeken een inlichtingenlek en de mogelijke betrokkenheid daarbij van Ahmed Chalabi en zijn voormalige beschermheren in Washington.

De FBI onderwerpt functionarissen in de top van het Pentagon aan een leugentest. Aanleiding zijn vermoedens dat Ahmed Chalabi, de voormalige Iraakse vertrouweling van het ministerie van Defensie, zeer geheime Amerikaanse inlichtingen heeft doorgespeeld aan de Iraanse geheime dienst.

Dit bericht, dat gisteren ging circuleren in een aantal Amerikaanse media, is een teken van de toenemende verwarring over de rol van Chalabi en die van zijn voormalige beschermheren in Washington. Met name minister van Defensie Rumsfeld, zijn tweede man Wolfowitz en vice-president Cheney, onderhielden in de aanloop van de oorlog tegen Irak nauwe contacten met Chalabi. Diens Iraaks Nationaal Congres kreeg maandelijks 340.000 dollar voor inlichtingen. De meeste hiervan bleken achteraf niet te kloppen.

Condoleezza Rice, de Nationale Veiligheidsadviseur van president Bush, gaf gisteren op Capitol Hill een vertrouwelijke achtergrondbriefing over de affaire aan leden van het Congres. Zij zou een diepgaand onderzoek hebben beloofd naar de toedracht van het inlichtingenlek, dat de Verenigde Staten zou hebben afgesneden van vitale informatie over de bedoelingen van Teheran.

Naar gisteren bleek heeft de Amerikaanse regering eerder The New York Times, The Los Angeles Times, CBS en een aantal andere media gevraagd niet te berichten over belangrijke details van de kwestie. De nationale veiligheid zou op het spel staan. Het verzoek om terughoudendheid werd dinsdag ingetrokken nadat de kern van de zaak was uitgelekt: Chalabi of zijn omgeving zouden het hoofd van de Iraanse geheime dienst in Bagdad hebben verteld dat de Amerikanen de Iraanse geheime code hadden gekraakt. Chalabi zou dit hebben gehoord van een dronken Amerikaan.

Irans `station manager' in Bagdad had dit feit vervolgens in dezelfde gecodeerde vorm aan zijn bazen in Teheran gemeld. De Amerikaanse afluisterdienst NSA onderschepte dat bericht en kwam er zo achter dat de troef verloren was gegaan. Daarop werd, naar men aanneemt op instigatie van de Amerikaanse geheime dienst, de CIA, een inval gedaan bij Chalabi. Men zou ook bewijzen hebben gezocht voor het gerucht dat Chalabi dubieuze informatie verzamelde over belangrijke politici in Washington. Die zouden in geval van nood van pas kunnen komen.

De CIA en Buitenlandse Zaken hadden in de aanloop naar de oorlog bedenkingen tegen de inlichtingen waarop met name vice-president Cheney en minister van Defensie Rumsfeld de `zaak' tegen Saddam Hussein bouwden. Deze drijvende krachten achter de beslissing om Irak aan te pakken in het kader van de door `911' noodzakelijk genoemde `oorlog tegen het terrorisme' baseerden zich vergaand op de inlichtingen die Chalabi leverde aan het `Office of Special Plans', dat binnen het Pentagon de Militaire Inlichtingendienst had overschaduwd.

De Amerikaanse regering verbrak niet lang voor de inval in zijn hoofdkwartier alle banden met Chalabi. Hij werd eens in Washington gezien als de man die Irak na Saddam zou leiden.

Zowel de Iraanse regering als Chalabi heeft het hele verhaal ontkend. Richard Perle, adviseur van minister Rumsfeld en voormalig voorzitter van de Defensieadviesraad, is een van de weinigen die openlijk blijven opkomen voor Chalabi. Hij stelt in The New York Times dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat Chalabi zou samenspannen met de regering in Teheran, die Amerika liever zag wegblijven. Ook Juan Cole, hoogleraar geschiedenis en kenner van het Midden-Oosten aan de Universiteit van Michigan, wijst in zijn weblog (juancole.com) op het gebrek aan logica in de meest gehoorde versie van de gebeurtenissen.

President Bush hield gisteren voor luchtmachtofficieren een redevoering waarin hij de strijd in Irak in het verlengde plaatste van de Tweede Wereldoorlog. De oorlog tegen het terrorisme kan tientallen jaren duren, waarschuwde hij, maar Amerika zal zijn plicht niet verzaken.

De president heeft zich nog nauwelijks uitgelaten over de Chalabi-affaire. Hij zei dinsdag alleen dat hij de man, die bij zijn State of the Union-toespraak in januari nog als speciale gast achter zijn vrouw Laura zat, amper had ontmoet. In februari vertelde president Bush zijn NBC-interviewer Tim Russert in `Meet The Press' dat hij vertrouwen had in de ontwikkelingen in Irak, nadat hij in het Oval Office uitvoerig had overlegd met Chalabi en twee andere Iraakse leiders, aldus The Washington Monthly gisteren.

Het Witte Huis bevestigde gisteren, in een ogenschijnlijk losstaande ontwikkeling, dat de president een advocaat in de arm had genomen voor het geval hij rechtsbijstand nodig heeft in de affaire-Plame. Valerie Plame is de echtgenote van ex-ambassadeur Joe Wilson, die midden 2003 de onjuistheid aan het licht bracht van de door de regering gebruikte stelling dat Saddam Hussein in Niger uranium had laten kopen voor zijn kernwapenprogramma. Kort daarop liet de regering via columnist Robert Novak uitlekken dat Wilsons vrouw een CIA undercover agent was. Sindsdien loopt een onderzoek naar dit lekken, dat strafbaar is en de levens van Plame en haar bronnen bedreigt. Wilson wees onlangs drie mogelijke `daders' aan twee van hen staan waarschijnlijk ook op het Chalabi-lijstje van de FBI.

De kwesties hebben ogenschijnlijk weinig met elkaar te maken. Behalve dat zij verband houden met de `bewijsvoering' van Saddams banden met Al-Qaeda en zijn verboden wapenprogramma's – de pijlers van rechtvaardiging voor de oorlog tegen Irak. De inner circle van de regering-Bush had er veel voor over gelijk te krijgen en te houden. Bij het uitblijven van de feiten en successen die de democratische domino-theorie voor het Midden-Oosten kunnen dragen, lijkt zich een afrekening te voltrekken onder hoofdrolspelers.