Agnosticisme of atheïsme 1

Willen Drees prefereert een agnost genoemd te worden en niet een atheïst. Ongetwijfeld een betere benaming voor iemand die hoogleraar Godsdienstwijsbegeerte is. Echter, in het artikel geeft hij ongewild aan dat er niet veel verschil is. Bertrand Russell noemt hij eerst tweemaal een atheïst en daarna een agnost. Russell zou het met hem eens geweest zijn. In een artikel met de titel `Am I an atheist or an agnostic' zegt hij: ,,als ik voor filosofen spreek ben ik een agnost, voor de gewone man een atheïst''. Hij illustreert het aan de hand van de homerische goden. Niemand gelooft dat ze bestaan, de atheïst. Maar niemand kan dat strikt bewijzen, de agnost. Evenzo met het bestaan van God. De agnost is dus in feite een sjiek geklede atheïst.

Drees begint zijn artikel met de schepping in Genesis die hij tot tweemaal toe een scheppingsgedicht noemt. Weinig verschil blijkbaar tussen een literaire constructie en een godsdienstige waarheid. Hij bevestigt dit ten overvloede door religie te definieren als ,,de erfenis vol verhalen en gebruiken''.

Twee onbesproken vragen.

Ten eerste: wat is het waarheidsgehalte van de godsdiensten? Blijkbaar die van een literaire constructie. Maar de waarheid van een gedicht ligt in de kracht van beeld en verwoording, niet in de strekking. Bijvoorbeeld: een bekend gedicht van John Donne is `Go and catch a falling star'. Sterke beelden en een sprookjesachtige sfeer, het staat in alle Engelse bloemlezingen. Toch is de strekking vrouwonvriendelijk, geen (bloem)lezer die erin gelooft, ze wordt op de koop toe genomen. Evenzo met de strekking van de verhalen in de bijbel. Maar evenzo werkt propaganda. Godsdienst als een bijzondere vorm van propaganda? Dan is er geen verschil meer met een ideologie.

Vervolgens: wat is het wezen van het godsdienstige? Drees spreekt in zijn artikel over `religie' en vermijdt het woord godsdienst, naar ik vermoed omdat godsdienst verwijst naar iets wezenlijks in het christendom, namelijk de dienst aan God, een afhankelijkheidsrelatie die in de bijbel de vorm aanneemt van een ontmoeting . Het `Ich und Du' van Martin Buber. Ook hier blijft voor de bijbel alleen over het literaire, of zo men wil het propagandistische, vertelsel.

Hij geeft het aan het einde van zijn artikel ten overvloede nog eens aan: ,,ook de goden staan niet boven de wet''. God blijkbaar ook niet, die hij definieert als ,,de oorzaak van de natuurlijke oorzaken''. Ik neem aan dat hij hiermee tevens bedoelt dat God oorzaak van zichzelf is, want anders krijgen we een oneindige regressie. De enige god die niet boven de wet staat, die oorzaak van zichzelf is, en aan de bijbel alleen morele zekerheid toekent is de filosofengod van Spinoza, omdat die de natuur zelve is.