Wormen eten met Krajicek

Op zijn verjaardag viel bij P. van der Eijk een nest jonge kraaien uit de hemel. Net als de kat van de buren was hij blij met het onverwachte geschenk.

Als jongen kocht ik van klasgenoot Kees Sibbing voor twee gulden een jonge kauw. Ik voedde hem op, dat wil zeggen: ik riep ,,kaa..'', hij sperde zijn bek open en ik gooide er van alles in. Daardoor hechtte hij zich aan mij, zodat ik met deze Ka op mijn schouder, lopend of fietsend, op pad kon. In de stad keek men er van op. Ik herinner me niet wat er van geworden is, vermoedelijk heb ik de kauw in het Haagse Bos losgelaten omdat hij te vroeg te veel lawaai maakte naar de zin van ouders en buren.

Later heb ik een schilderij gekocht van een jongen met een kauw op zijn schouder, want die ervaring liet me nooit helemaal los. Altijd heb ik nog eens het idee gehad het opvoeden van zo'n intelligente vogel te herhalen. Maar hoe kom je in de stad aan een jonge kauw zonder halsbrekende klimpartijen in bomen of schoorstenen?

Het boek De Celestijnse belofte heb ik niet gelezen maar ik weet waar het over gaat. Lezers van dat werk knikken begrijpend wanneer ik hun nu vertel dat, op mijn verjaardag nog wel, tientallen jaren later, in mijn tuin een jonge kraai uit de hemel kwam vallen. Een? Vijf.

In een belendende woudreus, vreemde verschijning in een stadstuin, had het kraaiennest wellicht door overbewoning het begeven en dwarrelden de nog niet vliegvlugge jongen naar beneden.

Al besef ik dat het herhalen van een jeugdervaring een milde vorm van kindsheid is, ik was blij met de vogels. De kat van de buren ook. Hij ging erachteraan, maar kreeg gauw zijn bekomst: toen hij er een wilde pakken schoten de ouders van het jong naar beneden – een volwassen kraai is een grote vogel met een houwdegen als snavel – en vielen de kat aan. Hij werd naar binnen gehaald. De buurvrouw kreeg ingefluisterd dat kraaien het op ogen hebben gemunt en vreesde onheil. Ze belde de dierenambulance.

Het personeel kon twee jonge kraaien pakken en toen waren er nog maar drie. Een ervan ving ik en ik zette hem in een computerdoos met gaas ervoor. Ik hoopte dat ook deze vogel zich aan mij zou hechten. Ik hield het niet voor onmogelijk dat de ouders hem door de spijlen heen zouden komen voeden. Dit laatste gebeurde niet. Wel bleven ze de twee nog vrij rondhuppelende jongen tot hun verantwoordelijkheid rekenen. Ze werden, onder enorm kabaal, gevoed.

Die herrie dreigde ook hun aftocht te bewerkstelligen, want de buren konden het niet meer harden. Zoals de werkers op Schiphol nooit over herrie zullen klagen maar wel de buitenstaanders, zo was ook ik immuun voor hun gekrijs. Maar beter een goede buur enz., dus opnieuw de dierenambulance gebeld, met als voorwaarde dat ik mijn eigen kraai zou houden. Die hield zich muisstil, al te druk bezig met het wegwerken van handenvol kattenbrokken, tomaten, gehakt, witbrood, bruinbrood, kersen, tuinbonen, muesli, erwten, meloenschillen. Heerlijk, zo'n alleseter vlak naast de keuken. Jonge meesjes, eieren, net uitgekomen duiven, dit alles gaf ik hem niet, daar zou hij later zelf voor zorgen.

Dierenambulance noch Vogelopvang wilde dit keer komen: ,,We rukken uit voor dieren in nood en als ze door de ouders gevoed worden zijn ze geen noodgeval.'' Ik was het er helemaal mee eens. Na een paar dagen rondscharrelen konden ze ineens vliegen en ze vertrokken naar tuinen in de buurt. Af en toen horen we ze nog krijsen, als bewijs dat ze tot nu toe geen kattenbrok zijn geworden. Ik bleef `Krajicek', zijn roepnaam waar hij nog niet naar luistert, goed voeden. Soms at hij vanaf een stokje dat ik hem voorhield en als hij honger had zelfs uit mijn hand.

Hij is nu te groot geworden voor de doos, ik heb hem los gelaten. Vliegen is niet meer dan fladderen, want hij is zijn staart kwijtgeraakt. Krajicek heeft de tuin nog niet verlaten, scharrelt gezellig rond. Maar het kan ook dat hij niet weg wil, nu het eten hem voorgeschoteld wordt. Bij kraaien geldt: waar mijn brood is, is mijn vaderland. Ik heb hem wel geringd, zodat ik hem later kan herkennen mocht hij vertrekken en... terugkomen.

Een bijkomend voordeel van dit alles is dat ik Konrad Lorenz aan het herlezen ben. Wat een heerlijke verhalen. Proza als prozac, zo rustgevend. Lorenz beschrijft hoe hij door de kauwen die hij opvoedde zo als soortgenoot werd gezien dat zij hem, als hij achter zijn bureau zat, met een bek vol meelwormen kwamen verrassen en die in zijn mond propten. Lorenz had daar niet altijd trek in. Hield hij zijn mond gesloten, dan stopten zijn vrienden de naastgelegen gaten, zijn oren, vol met het wormenpapje. Wie weet wat mijn kraai mij straks komt brengen. Ik ben alvast aan het wennen door af en toe een worm te proeven. Je moet wat voor een adoptiekraai overhebben.