Laat economie EU niet over aan Berlijn en Parijs

Duitsland en Frankrijk hebben geen goede papieren om de Europese Unie economisch te hervormen, meent George Parker.

Een afgezaagde oude mop gaat over de Europese nachtmerrie waarin de Britten koken, de Fransen autorijden en de Duitsers voor de humor verantwoordelijk zijn. Hetzelfde onwerkbare principe zou binnenkort wel eens kunnen gaan gelden voor de verdeling van de banen in de Europese Unie, alleen is het ditmaal niet als grap bedoeld.

Neem de voorgestelde nieuwe post van Europees commissaris voor de economische hervorming, een essentiële baan op een continent dat is opgezadeld met lage groei en hoge werkloosheid, en dat hulpeloos toeziet terwijl de Verenigde Staten uit het zicht verdwijnen.

Natuurlijk een ideale baan voor een politicus uit een land met een goede staat van dienst: Finland misschien – onlangs door het Wereld Economisch Forum genoemd als het land met 's werelds beste vooruitzichten op groei – of Ierland, een van de economische wonderen van Europa.

Maar nee, het land dat vindt dat het de post van commissaris economische hervorming verdient, is Duitsland, waar de prestaties op het gebied van economische hervorming misschien wel de slechtste van Europa zijn. Het ziet er op dit moment naar uit dat het land zijn zin zal krijgen.

Omdat Duitsland het bevel over de Europese economie wenst te bemachtigen, wil Frankrijk per se een hoge economische baan in de volgende Europese Commissie, het uitvoerend bestuur van de Europese Unie, die in november met haar werk begint. Frankrijk, dat bekneld zit tussen een lage groei en hoge overheidstekorten, is het land dat voorop ging bij de afbraak van het economische raamwerk van de EU – het stabiliteits- en groeipact. Nu kant Frankrijk zich tegen de mededingingsvoorschriften van de EU in zijn ijver om nationale industrietoppers te kweken.

Een van de Franse hoofddoelen is het EU-toezicht op monetaire zaken, ideaal voor een land dat al drie jaar achter elkaar bovenmatige tekorten heeft maar dat lijkt te geloven dat het probleem ligt bij de Europese Commissie, omdat deze de regels probeert te handhaven.

Een andere post die Parijs wel in de Commissie zou willen, is die van mededinging. Deze wordt op het ogenblik bekleed door Mario Monti, die de afgelopen weken met Frankrijk heeft gebakkeleid over de pogingen om Alstom, de failliete industriereus, te redden.

Duitsland en Frankrijk willen de economische topposities in de Commissie niet om redenen van nationale trots. Ook willen ze deze niet om offensief te kunnen streven naar de markthervormingen en liberaliseringen die nodig zijn om de Europese concurrentiekracht te verhogen.

Ze lijken deze bastions in het Europese economische landschap veeleer te beschouwen als verdedigingswerken ter bescherming van hun slappe economieën en hun `paradepaardjes' tegen de gebundelde krachten van de Europese en mondiale concurrentie.

Daarom worden zulke banen meestal bezet door vertrouwelingen van Jacques Chirac en Gerhard Schröder. Bekwame zittende commissarissen als de Fransman Pascal Lamy en de Duitser Günter Verheugen hoeven waarschijnlijk niet te solliciteren.

Dit alles speelt zich af op een moment dat Europa halverwege de periode van tien jaar is waarin het de meest concurrerende economie ter wereld wilde worden en het moet constateren dat de kloof met de Verenigde Staten alleen maar breder wordt.

Frits Bolkestein, de EU-commissaris voor de interne markt, is een van weinigen die ernstige bezwaren hebben gemaakt tegen het idee dat Duitsland de voorgestelde nieuwe commissaris voor de economische hervorming zou leveren.

Bolkestein heeft gezegd hij niet in Brussel wenst te blijven onder een ,,Duitse stroman als supercommissaris''. Over de Frans-Duitse plannen om industriereuzen te steunen, zegt hij dat ze ,,meelijwekkend'' zijn.

Bolkestein houdt er begin oktober mee op, samen met de meeste andere huidige commissarissen, na vijf jaar strijd om Duitsland te dwingen zijn markten geheel te openen en de interne markt van de Europese Unie eerlijk te laten te werken. In één wel heel frustrerend geval heeft Bolkestein wanhopig moeten toezien hoe Duitsland zin voor zin een EU-overnamewet uitkleedde waardoor buitenlandse bedrijven gemakkelijker Duitse rivalen zouden hebben kunnen kopen.

Voor het geval de signalen nog niet duidelijk genoeg waren, riep Wolfgang Clement, de Duitse minister van Economische Zaken, afgelopen week de krantenuitgevers van het land op om zich te wapenen tegen buitenlandse kopers. ,,Tot nu toe konden buitenlandse bedrijven altijd eenvoudig binnenkomen'', klaagde hij onder verwijzing naar de mediasector. ,,Ze kunnen elk ogenblik op de Duitse markt verschijnen. Dat is een van onze problemen.''

De maker van deze opmerkingen, die er kennelijk niet bij stilstaat dat deze `problemen' nu juist een stimulans zijn die voortkomt uit de Europese interne markt, wordt vaak genoemd als Duitse kandidaat om EU-opperbaas van de economische hervorming te worden.

Intussen hoopt Frankrijk aan zijn economische malaise te ontsnappen door `Europese industrietoppers' te kweken, waarmee het dan wel `Franse industrietoppers' bedoelt – zoals Duitsland onlangs tot zijn wanhoop heeft ontdekt.

Hoeveel eenvoudiger zou het voor de Fransen misschien zijn geweest om het geplaagde Alstom te redden als de EU-commissaris voor het mededingingsbeleid in plaats van de bemoeizuchtige Monti een Fransman was geweest. Misschien zou een Franse commissaris meer begrip hebben gehad voor de Parijse eis om Alstom in Franse handen te houden en het niet te dwingen tot samenwerking met andere bedrijven, in het bijzonder het Duitse Siemens.

Om te onderstrepen hoe Frankrijk en Duitsland zich op dit moment ingraven, hebben ze verleden week zelfs een minimumtarief voor de vennootschapsbelasting in de EU voorgesteld – teneinde andere landen te beletten met behulp van lage belastingtarieven investeerders aan te trekken.

Het is al erg genoeg dat Frankrijk en Duitsland zich terugtrekken achter een verdedigingsmuur van hogere belastingen, meer overheidssteun en meer protectionisme. Als ze dit beleid ook aan de rest van Europa weten op te leggen, wordt het echt een ernstige zaak.

George Parker is chef van het bureau van de Financial Times in Brussel.

    • George Parker