Investering in geloofwaardigheid

`Wachten op Kerry' is de kop van een column, geschreven door de Amerikaan Thomas Oliphant, verschenen in de International Herald Tribune van 20 mei. Hij heeft een paar weken door Noord-Europa gereisd; hij stond versteld van de afkeer die hij overal, bij de elites van de politiek en het bedrijfsleven en in de gewone burgerij, tegen de regering van president Bush had aangetroffen. De Europeanen wagen een gok, is zijn conclusie. Ze blijven passief, ze wachten de verkiezingen van 2 november af.

Dat vindt hij niet verstandig. Er zijn juist nu nieuwe mogelijkheden om invloed op Washington te krijgen. Het seizoen van de topconferenties is aangebroken, van de NAVO, de G8. Door de vorderende mislukking van de bezetting in Irak winnen de Verenigde Naties weer aan invloed. Aanstaande zondag spreken de westelijke regeringsleiders elkaar informeel aan het strand van Normandië. Met deze beroerde stand van zaken en de verkiezingen in het vooruitzicht zal Bush eerder geneigd zijn naar de rest van de wereld te luisteren. Het is al te gemakkelijk van de Europeanen om nu achterover in hun stoel geleund hun kritiek los te laten. Kop op, en aan de slag! Dat is de boodschap.

Een nuchtere en montere redenering. Laten we het er nog eens op wagen, zou je zeggen. Maar er zijn een paar reserves.

Deze Amerikaanse regering wekt afkeer. Die is niet van gisteren op vandaag ontstaan en blijft niet tot Europa beperkt. Laten we om te beginnen niet vergeten dat George W. Bush gekozen is met de steun van een minderheid. De campagne was fel en chaotisch. Hij verzekerde dat hij met zijn compassionate conservatism de president van de verzoening zou worden, maar ver vóór de elfde september was hij in het binnenland al met de uitvoering van een uitgesproken rechts programma begonnen, terwijl in de buitenlandse politiek het unilateralisme vorm kreeg.

Met een half mandaat heeft hij niet de verzoening bewerkstelligd, maar geprobeerd een nauwelijks verhulde revolutie tot stand te brengen. In Amerika zelf nam de kritiek toe. Hij werd persoonlijk steeds meer het tegendeel van de verzoening. Kritiek op Bush, heb ik toen eens geschreven, is pro-Amerikaans. Hij spleet de natie, ten nadele van zijn eigen land en vervolgens van Europa.

Vooral na de opzegging van het verdrag van Kyoto herleefde buiten Amerika het oude anti-Amerikanisme. In de eerste maanden na 11 september is dat in Europa allemaal vergeten. Maar na de ogenschijnlijk succesvolle oorlog in Afghanistan die de Atlantische solidariteit leek te hebben hersteld, kwam het unilateralisme met volle kracht terug. Het voorspel tot de oorlog in Irak bracht de grote verwijdering, gepaard met Amerikaanse minachting en wederzijdse scheldpartijen, en ten slotte de déconfiture van de bezetting.

De kritiek op deze Amerikaanse regering komt in de buurt van een protest in machteloze radeloosheid. Dat is ook het geval in Amerika, zoals blijkt uit de stroom van uiterst kritische boeken en uit de cijfers van het opinieonderzoek. In een redelijke politiek mag men zich niet door emoties laten leiden. Dat is een verdedigbare stelling. Maar er komt een ogenblik waarop `emoties' zelf tot een politieke factor worden. Dat punt is ruimschoots bereikt, niet alleen in Europa maar in het hele Westen.

Europa heeft Amerika nodig. Dat is de les van de Eerste en de Tweede Wereldoorlog en de Koude Oorlog. Het omgekeerde blijkt nu in het Midden-Oosten ook waar. Graag wil Washington dat de NAVO met een strijdmacht in Irak betrokken wordt. Daarvan kan op het ogenblik geen sprake zijn. Ook de Europeanen – Bush-haters of Bush-vrienden – willen dat Irak zo vlug mogelijk in een vreedzame democratie wordt omgetoverd. Maar het vertrouwen in de leiding is verloren gegaan.

Nu is `de beslissende maand' aangebroken. Op 30 juni wordt de soevereiniteit overgedragen aan een Iraakse regering die op het ogenblik in de maak is. Daarin zullen zeker een paar vertrouwelingen van de bezetter worden opgenomen. De vorige hoofdvertrouweling, de heer Chalabi, is onlangs als een oplichter ontmaskerd. Gisteren is bekend geworden dat het Amerikaanse opperbevel de strategie principieel gaat veranderen: van een offensief optreden tegen het verzet naar een verdediging van alles wat voor het functioneren van de aanstaande Iraakse regering van belang is. Opnieuw een experiment.

Vorige week heb ik hier een meningsverschil met de columnist van de Volkskrant, H.J. Schoo, verklaard. Hij verdedigt de stelling dat de Nederlandse militaire aanwezigheid in Irak een investering in de band met Amerika is. Onder andere omstandigheden was ik dat met hem eens geweest. Maar in deze situatie is het een investering in wanbeheer, en daarom een uitlevering.

Nu heeft het kabinet acht gevechtshelikopters naar Irak gestuurd. Verstandig, omdat de Nederlandse soldaten beter beschermd kunnen worden. Maar het doet ook de vraag opkomen, of we daar misschien onze eigen oorlog gaan voeren. Dat was niet de bedoeling, toen het kabinet anderhalf jaar geleden `politieke steun' aan de oorlog betuigde.

Nederland heeft zijn investering in de onderneming Irak gedaan in het vertrouwen dat het zou deelnemen aan een vredesmissie. Dat is een vergissing gebleken. Alleen dat is al een goede reden om onze troepen daar niet langer te laten blijven, ook, of juist niet, omdat er nu blijkbaar een dringende behoefte aan de Apache-helikopters, de `vechtmachines' bestaat.

Om dan maar bij het investeren te blijven: ik vind dat nu, in de lijn van het oorspronkelijk beleid, een voorwaardelijke investering op zijn plaats is. De Nederlandse troepen komen nu terug en gaan weer naar Irak zodra duidelijk is gebleken dat daar zich iets ontwikkelt volgens de plannen en de beloften van een jaar geleden. Niet meer in een automatisch vertrouwen. We vragen niet het onmogelijke, geen ijzeren garanties, maar een normale mate van geloofwaardigheid in het beleid van de machtigste man ter wereld.