De man die even voor God mocht spelen

Als er een gebeurtenis is geweest die beslissend was voor de val van de Amerikaanse president Richard Nixon, dan was het de Saturday Night Massacre op 20 oktober 1973. Dat was de datum waarop Nixon de zaterdag overleden toenmalige speciale aanklager Archibald Cox ontsloeg en zijn minister en onderminister van Justitie hun functies neerlegden. Dat deden zij omdat zij hadden geweigerd Cox op verzoek van Nixon te ontslaan.

De historisch geworden gebeurtenis maakte van Cox op slag een nationale held en betekende het begin van het einde van president Nixon. Want door de `slachting' laadde Nixon de verdenking op zich veel te verbergen te hebben, en dat bleek achteraf ook zo te zijn.

De episode rond de aan de Harvard universiteit geschoolde jurist begon in de loop van 1973, toen de toenmalige minister van Justitie, Elliot Richardson, Cox aanwees als speciale aanklager die onderzoek moest doen naar de eindeloze stroom geruchten over het mogelijk malafide doen en laten van het Witte Huis.

Nixon was begrijpelijkerwijs uitgesproken tégen een speciale aanklager. Maar de verdenkingen tegen hem, hoewel nog onbewezen, maakten die weigering onhoudbaar. Zo bleek een van de mannen, betrokken bij de inbraak op 17 juni 1972 in de kantoren van de Democraten in het Watergate Hotel in Washington, contacten te hebben met het herverkiezingscomité van Nixon. En gaandeweg kwamen er steeds meer vragen over Nixons persoonlijke rol in die zaak.

Cox, van wie bekend was dat hij loyaal was aan de Democraten, bleek een speciale aanklager die vastbesloten was de zaak tot op de bodem uit te zoeken. Cox had van minister Richardson ook de verzekering gekregen dat hij alle vrijheid had in zijn onderzoek en dat hem nooit de wacht aangezegd kon worden tenzij hij zich schuldig zou maken aan `buitengewone ongepastheid'. De speciale aanklager, die zich maar al te goed bewust was van zijn uitzonderlijke positie, zei later tegenover journalisten dat hij was gevraagd ,,om God te spelen''.

Als het nationale geweten van de VS liet hij geen vraag onberoerd. En toen in juli 1973 Witte Huis-medewerker Alexander Butterfield zich tijdens de speciale hoorzittingen van het Congres over de Watergate-affaire liet ontvallen dat er geluidsopnamen bestonden van de gesprekken die de president vanuit zijn Oval Office in het Witte Huis had gevoerd, drong Cox aan op het vrijgeven van die tapes.

Nixon weigerde, maar Cox bleef aandringen. Op voorstel van Nixon de tapes via derden aan Cox te overhandigen, reageerde de aanklager standvastig en afwijzend. Daarmee laadde de president steeds meer de verdenking op zich wel degelijk iets op zijn kerfstok te hebben. De opdracht tot ontslag van Cox en de `slachting' die daar het gevolg van was, bezegelde feitelijk het lot van Nixon. Uiteindelijk overhandigde Nixon de gewraakte tapes aan Cox' opvolger Leon Jaworski. Daaruit bleek inderdaad dat de president kennis had van de inbraak in het Watergate Hotel. Nixon besloot een aanklacht tegen hem niet af te wachten en nam op 9 augustus 1974 zijn ontslag.