Pak lobby van bedrijfsleven in Brussel aan

Het aantal lobbyisten in Brussel rijst de pan uit, waarbij vooral het bedrijfsleven van zich doet spreken. Aan de beïnvloeding van de Europese politieke agenda achter de schermen moet een einde komen, meent Erik Wesselius.

Terwijl volgens een recente Eurobarometer-peiling bij de komende Europese verkiezingen minder dan de helft van de kiesgerechtigde Europeanen zal gaan stemmen, is er op de publieke bankjes in het Europees Parlement regelmatig plaats tekort. Het zijn dan ook geen politiek geëngageerde burgers die om een stoel op de publieke tribunes in Brussel en Straatsburg vechten, maar professionele lobbyisten.

In maart dit jaar deed de Europese beroepsvereniging voor lobbyisten SEAP in een open brief aan Pat Cox, de voorzitter van het Europees Parlement, haar beklag over het tekort aan koptelefoons en stoelen. Volgens de organisatie was het voor het bedrijfsleven op deze manier onmogelijk om goed op de hoogte te blijven van discussies met enorme gevolgen voor Europese bedrijven.

Dit incident illustreert de gestage toename van het aantal lobbyisten in Brussel. Het precieze aantal is onbekend, maar de schattingen lopen uiteen van 10.000 tot 20.000. Van hen zijn er 4.875 officieel bij het Europees Parlement geaccrediteerd. Zij hebben een pasje waarmee ze altijd toegang hebben tot de gebouwen van het Europees Parlement. Het aantal lobbyisten dat de Europese Commissie poogt te bewerken, zal zeker niet lager zijn, want deze instelling staat aangeschreven als zeer open en toegankelijk voor lobbyisten. Helaas houdt de Europese Commissie geen register van lobbyisten bij.

Minder dan 10 procent van de Brusselse lobbyisten werkt voor ideële maatschappelijke organisaties. Zij moeten het opnemen tegen een leger van duizenden lobbyisten die direct of indirect voor bedrijven actief zijn. Blijkens de lijst van geaccrediteerde lobbyisten op de website van het Europees Parlement staan tegenover elke lobbyist van een ideële organisatie minstens zes lobbyisten van het bedrijfsleven.

Deze scheve verhouding wordt nog versterkt door het verschil in financiële middelen. Maatschappelijke organisaties hebben beduidend minder te besteden dan grote ondernemingen en hun belangenorganisaties. Voor het bedrijfsleven vormen lobbykosten vaak als het ware een investering die op termijn weer `terugverdiend' kan worden, bijvoorbeeld als dure milieuwetgeving wordt voorkomen of doordat bedrijven toegang verkrijgen tot Europese subsidiepotten voor onderzoek en ontwikkeling.

Vooral de Europese Commissie onderhoudt nauwe relaties met belangengroepen van het bedrijfsleven. Een goed voorbeeld zijn de Transatlantic Business Dialogue (TABD) en het European Services Forum (ESF), beide in de tweede helft van de jaren '90 opgericht op initiatief van toenmalig handelscommissaris Leon Brittan. Deze organisaties zijn door de Europese Commissie ingeschakeld bij het in detail voorbereiden van de onderhandelingstrategie van de Commissie bij de WTO-onderhandelingen. Andere belangengroepen zoals milieuorganisaties en vakbonden werden wel geconsulteerd, maar veel vrijblijvender. De Europese inzet voor de WTO-onderhandelingen is daardoor eenzijdig gericht op de zogeheten `offensieve belangen' van het Europese bedrijfsleven.

In een recent rapport, uitgegeven door de Zweedse Europarlementariër Inger Schörling (Groenen), wordt uiteengezet hoe een Brusselse lobbycampagne van de industrie in zijn werk gaat. Inger Schörling beschrijft een lobbycampagne die nog in volle gang is: de campagne van de chemische industrie uit de EU en de VS tegen een voorstel van de Europese Commissie om chemicaliën met onbekende milieu- en gezondheidseffecten zoveel mogelijk van de Europese markt te weren door het instellen van een Europees systeem voor registratie, evaluatie en goedkeuring van chemicaliën (REACH).

Er valt in dit rapport te lezen hoe de chemische industrie het voor elkaar heeft gekregen dat het oorspronkelijke voorstel van de Europese Commissie op essentiële punten is afgezwakt. De lobbyisten bestookten met hun campagne de Europese Commissie, de regeringen van de EU-lidstaten en het Europees Parlement, die gedeeltelijk tegen elkaar werden uitgespeeld. De chemielobby heeft handig ingespeeld op het Europese concurrentiekracht-fetisjisme en heeft de Raad van Ministers ertoe weten te verleiden om bij de afweging van het voorstel in de eerste plaats te kijken of het afbreuk zouden kunnen doen aan de concurrentiepositie van de Europese chemische industrie. Verder heeft de chemielobby het voor elkaar gekregen dat het afgezwakte voorstel van de Europese Commissie pas komend najaar door het nieuw gekozen Europees Parlement in eerste lezing wordt behandeld.

Natuurlijk kan het de kwaliteit van besluitvorming ten goede komen, wanneer diverse maatschappelijke belangengroeperingen, inclusief het bedrijfsleven, hun opvattingen over beleidsvoorstellen aan beleidsmakers kenbaar kunnen maken. Maar het is te gemakkelijk om te veronderstellen dat de verschillende lobbybelangen elkaar in evenwicht houden en via een soort vrije lobbymarkt tot een optimale uitkomst leiden. Immers, bedrijven verstoppen zich regelmatig achter misleidende mantelorganisaties of verspreiden hun voorstellen via denktanks die zich neutraal voordoen, maar die door diezelfde bedrijven zijn gesubsidieerd.

Het is de hoogste tijd om het overwicht van de lobby van het bedrijfsleven in Brussel aan te pakken. Helaas is de bestaande EU-regelgeving ten aanzien van lobbyen ontoereikend en vrijblijvend. Publieke controle van de Brusselse achterkamertjes is in de praktijk vaak onmogelijk. Het nieuwe Europees Parlement zou zich dan ook sterk moeten maken voor een verscherpte regelgeving ten aanzien van het lobbyen bij de Europese instellingen, waarbij transparantie voorop moet staan. Daarbij kan worden uitgegaan van de Amerikaanse Lobby Disclosure Act. Bij het Congres geaccrediteerde lobbyisten zijn verplicht om ieder half jaar opgave te doen van een aantal gegevens: in opdracht van welke bedrijven hebben ze gelobbyd, betreffende welke dossiers en voor hoeveel geld. Deze gegevens zijn via internet toegankelijk en waakhondorganisaties in de VS maken er dankbaar gebruik van.

Betere regelgeving en transparantie kunnen misstanden voorkomen en de publieke controle op het lobbyen bevorderen. Maar zolang het vergroten van de concurrentiekracht de officiële prioriteit voor Europees beleid blijft, geeft de politiek het bedrijfsleven structureel de gelegenheid om de Europese politieke agenda tot op grote hoogte naar haar hand te zetten.

Erik Wesselius werkt voor Corporate Europe Observatory. Hij is een van de deelnemers aan het debat over Europa, dat NRC Handelsblad donderdag met de Rotterdamse Kunststichting organiseert in Arminius, Museumpark 3, Rotterdam. Aanvang 20u.