Mysterie in de familie van Louis Couperus

Vorig jaar hield het Louis Couperus genootschap een enquête onder bezoekers van zijn website over de vraag welke roman van de Haagse schrijver zij de beste vinden. Met ruim 37 procent van de stemmen was De berg van licht de onbetwiste winnaar, maar ook De stille kracht gooide hoge ogen. Aan beide romans zijn prikkelende artikelen gewijd in het recent uitgekomen, twee maal per jaar verschijnende, tijdschrift van het Couperus Genootschap, Arabesken.

Caroline de Westenholz, die een studie voorbereidt over de tien jaar die Couperus in Nice doorbracht, maakt in haar bijdrage over `heilig sensualisme in De Berg van licht' aannemelijk dat Couperus zich voor deze roman heeft laten inspireren door de laat negentiende-eeuwse mysticus Joséphin Péladan en met name diens boek L'Androgyne.

Adembenemend is het artikel van Coen Ackers over De stille kracht onder de titel `De akelige geschiedenis van Jantje en Betsy'. Ackers heeft ontdekt dat een aangetrouwd familielid van Couperus indirect betrokken was bij angstaanjagende buitenaardse bedreigingen aan het adres van de familie Bischoff in 1892. Jan Jacob Bisschof was assistent-resident van de afdeling Panaroekan in het noordoosten van Java. Op de avond dat hij een van zijn inlandse oppassers heeft ontslagen, worden zijn negenjarige zoon Jantje en zijn drie jaar oudere dochter Betsy, wegens omstandigheden bij elkaar in bed slapend, onaangenaam verrast door vallende stenen. Er worden getuigen bij gehaald die in de dagen die volgen nog veel meer onverklaarbare verschijnselen waarnemen. Er vliegen allerlei voorwerpen door de ruiten, Betsy wordt regelmatig door een onzichtbare hand met eieren bekogeld of met modder en boter besmeurd. Ook krijgt het kind sirihspuug (het product van een soort pruimtabak) in haar gezicht. Bischoff schrijft aan een vriend dat ze dagenlang een maskertje van drek of uitgekouwde sirih op haar gezicht gespogen kreeg.

In De stille kracht wordt zoals bekend residentsvrouw Leonie van Oudijck in de badkamer door een onzichtbare figuur met sirih ondergespuugd, klaarblijkelijk als straf voor haar geheime relatie met haar stiefzoon. Al direct na publicatie van de roman werd geschreven dat de mysterieuze gebeurtenissen niet alleen op Couperus' fantasie berustten, maar voortborduurden op vreeswekkende verhalen die toen in Indië de ronde deden. De geschiedenis van Jantje en Betsy is niet alleen vastgelegd in een brief van Jan Jacob Bisschof, er is indertijd ook over gepubliceerd, onder andere in kranten en in het spiritistische tijdschrift van de indertijd bekende schrijfster Elise van Calcar. Overigens blijkt uit een fraaie voetnoot hoe Van Calcar over Couperus dacht: ,,'t Is een mooi talent, maar een ware weekeling; ik zou zoo graag een krachtig geraamte willen zetten in dat slappe lichaam.''

Arabesken heeft ook vaste rubrieken die altijd de moeite waard zijn: een interview met een schrijver (deze keer Bas Heijne) over de betekenis van Couperus voor hun werk en `Het favoriete fragment van...' waarin Couperus-kenner Maarten Klein aanstekelijk vertelt over zijn kennismaking met het onsterfelijke verhaal De binocle. In de nieuwsrubriek `Van en over Couperus en anderen' wordt verwezen naar een recent essay uit Spiegel der Letteren waarin Mary Kemperink Couperus net niet van plagiaat beticht, maar wel aantoont dat hij in zijn reisschetsen erg zwaar leunde op bekende reisboeken.

Arabesken, nr. 23, mei 2004. Te bestellen door overmaking van €6,80 op giro 600367 van het Louis Couperus Genootschap te Den Haag.