Het failliet van de neoconservatieven

PIERRE.Gele strikken wapperen in de harde prairiewind aan bomen, lantaarnpalen, hekken van ranches en aan deuren van overheidsgebouwen. De burgers van Zuid-Dakota, in meerderheid gelovige en conservatieve Republikeinen, willen zo duidelijk maken dat hun gedachten en gebeden bij de troepen in Irak zijn. Zelfs de kleine Teton Times, een krantje van Sioux-indianen, drukt tussen de aanklachten tegen de schending van heilige stamlanden trotse foto's af van de Sioux-broers luitenant Wilmer en sergeant Jody Honeyman, tot de tanden gewapend bezig in Irak.

Maar de steun van die burgers gaat eerder uit naar Amerika en naar de soldaten ter plaatse dan naar de politici in Washington. Ook in dit bolwerk van robuust Republikanisme is George Bush, die de afgelopen week zijn steun in de peilingen naar een dieptepunt zag duikelen, in de problemen. Een Democratische kandidate voor de Senaat, Stephanie Herseth, doet het hier opvallend goed. Ze maakt weinig woorden vuil aan wereldpolitiek, maar met haar solidaire en ecologisch verantwoorde campagneverhaal raakt ze een snaar in deze staat van ranchers, jagers en vissers, die zich zorgen maken om het milieu en om hun oude dag, en waar een pick-up truck nog altijd beter dienst doet dan een sports utility vehicle.

Het afkalven van de steun onder Bush' eigen Republikeinse aanhang heeft het autisme van zijn regering eindelijk een heilzame deuk bezorgd. Onzekerheid over zijn basis, kritiek in eigen kring en de noodzaak van politiek lijfsbehoud hebben Bush die volgens Bob Woodward altijd meer handelt uit gut feeling dan op basis van een weldoordacht plan losgeweekt van de conservatieve ideologen die zijn enthousiasme voor de Irak-oorlog aanbliezen en hem voorspiegelden dat die het begin zou zijn van een triomftocht door het Midden-Oosten. In Bush' uitspraken over Irak heerst een pragmatischer toon ,,de hoogmoed is verdwenen'', zegt politiek commentator Fouad Ajami en voor het premierschap van Irak is nu een andere kandidaat naar voren geschoven dan de lieveling van de neocons, Ahmad Chalabi.

De arrogantste neoconservatieven zoals Paul Wolfowitz en Richard Perle, die machtsdromen koesterden over een omwenteling in de wereldgeschiedenis, waren al op de terugtocht toen de bezetting van Irak een rommeliger toestand bleek dan gedacht. Klap op de vuurpijl was het Abu Ghraib-folterschandaal, en de smadelijke ontmaskering van Chalabi, hun favoriete Iraakse balling. Dit troetelkind van Wolfowitz, Perle en Donald Rumsfeld bewerkte Washington voorafgaand aan de oorlog met misleidende informatie over Saddams wapenarsenaal (onder andere de fabel over de aankoop van uranium in Afrika), verzekerde Bush dat de Amerikanen in Irak met open armen zouden worden ontvangen en gold als beste kanshebber voor een toppositie na de westerse zege.

Maar zijn welkome schrikverhalen bleken vooral ingegeven door hang naar zelfpromotie. Chalabi was een hosselaar ofwel, in goed Amerikaans, een con man. Nu is de romance voorbij. Onlangs deden Iraakse agenten, met stilzwijgende toestemming van de Amerikanen, een inval in zijn woning in Bagdad, op zoek naar bewijzen van criminele praktijken. Sommige commentatoren zien daarin nu de zoete wraak van de `mannen in uniform' in het Pentagon op de `mannen in pak' in het Witte Huis, die hen op grond van Chalabi's ondeugdelijke informatie zonder adequate voorbereiding Irak hebben ingestuurd.

Ook die klassieke spanning tussen militairen op de grond en politici achter een bureau begint een rol te spelen die in het nadeel uitpakt van de ideologen en in het voordeel van de pragmatici die een eervolle uitweg zoeken. Je mag dan de filosofische kracht van de hele westerse Beschaving achter je hebben, maar wat heb je eraan zonder goede training, uitrusting en vooral strategie?

In Michael Moore's pamflettistische anti-oorlogsfilm `Fahrenheit 9/11' komt een scène voor van een moeder die de laatste brief van haar gesneuvelde zoon voorleest. Sergeant Michael Pedersen bedankt zijn moeder voor de toegestuurde bijbel en het snoepgoed, maar noteert bitter over de president: ,,Hij stuurde ons hierheen voor helemaal niks. Ik ben pisnijdig, moeder.''

Het is een bange emotie die naast het patriottisme sterk leeft in het Amerikaanse heartland, waar al die gele strikken wapperen, en waar de burgers weinig ophebben met intellectuele conservatieven in driedelig pak die beslissen waar hun zonen moeten gaan vechten. Zij lezen plaatselijke kranten als de Bismarck Tribune (Noord-Dakota), waarin aalmoezenier Maury Millican klaagt dat soldaten bij hem op het dak moesten slapen wegens gebrek aan geschikte huisvesting. Daarna vraagt hij de lezers om mee te doen aan de actie `Operation Backpack': stuur een rugzak met schriften, pennen en andere schoolbenodigheden naar de kinderen van Irak.

Bush begint die twijfel aan de basis te voelen. Nu even geen weidse vergezichten meer. Gevraagd: een eervolle exit. Na Bush' jongste rede over Irak volgde zelfs het onvoorstelbare: een telefoontje om steun naar de Franse president Chirac, die een jaar geleden zijn geboycotte rode wijn door de straten van Washington zag stromen.

En het Midden-Oosten? Een Amerikaans plan voor de Arabische wereld dat moet worden gepresenteerd op de top van de G8 in juni en waar een concept van uitlekte, stelt vroom dat ,,verandering niet van buiten kan worden opgelegd''. Dat is andere taal dan de lofzang van conservatieve revolutionairen op de kracht van westerse ideeën en wapengeweld die ruim een jaar geleden uit Washington klonk.

Die noodgedwongen wending naar een meer pragmatische politieke aanpak van Irak is hard nodig, nu Bush voor de lakmoesproef staat om in Irak een regering op de been te helpen, die ondanks alle afhankelijkheid van Amerikaanse militaire macht op zijn minst de potentie van legitimiteit heeft en die kan voorkomen dat het land ten prooi valt aan terreur en aan de strijd tussen verschillende facties. Voor die politiek te formuleren op een moment dat Amerika zelf bedreigd wordt met nieuwe aanslagen is brede steun nodig, niet het agressieve wishful thinking waar droomhandelaren als Ahmad Chalabi garen bij sponnen.

De zeepbel van de neoconservatieven die zich beschouwden als voorhoede van het Westen is geklapt. Ze hadden het kunnen weten: de gele strikken in Zuid-Dakota wapperen daar niet voor de wereldgeschiedenis.