Dunya-festival kleiner en opnieuw verregend

Het laatste weekend van mei is gemiddeld droger dan het eerste weekend van juni. Maar sinds Dunya deze meteorologisch-statistische kennis toepast is het wereldmuziekfestival bijna ieder jaar in het water gevallen. Al was ook 2004 weer een regenpak-met-laarzen-editie, de organisatie schat dat er desondanks 160 duizend bezoekers waren. Dat aantal klinkt geflatteerd, op sommige momenten zag het festivalterrein er zielig verlaten uit.

Niet alleen het weer zit Dunya dwars. Het festival is slachtoffer geworden van Haagse bezuinigingsdrift. En ook de gemeente kortte op het al 27 jaar uiterst succesvolle uithangbord voor multiculti-Rotterdam. Gelukkig wordt het festival geleid door daadkrachtige realisten. Voor hen geen laffe kaasschaafmethode maar duidelijke keuzes. De festivalduur is ingekrompen van twee dagen naar één. De landenpodia, die soms toch de neiging hadden uit te groeien tot exclusieve speeltuin voor Marokkanen, Kaapverdianen of Turken, zijn afgeschaft. En het terrein is kleiner gemaakt. Dat had weer als voordeel dat er genoeg middelen overbleven om de logistiek – extra bruggetje over de sloot, planken vloer voor het hoofdpodium – dit keer eens helemaal goed te regelen.

Ook inhoudelijk zijn er keuzes gemaakt. Een hele goede was om het hoofdpodium om te dopen tot etalage voor alles wat `young and urban' is. Hier geen politiek correcte exotica maar grootstedelijke mengmuziek van hier en nu. In het geval van het Argentijns-Spaanse Go Lem System betekent dat vooral pop-rock die wel opgewekt maar zeker niet opmerkelijk klinkt. Veel beter was het Franse Meï Teï Shô dat zich presenteerde als een Rage Against The Machine met funk- en jazzinvloeden. Of het Duits-Marokkaanse Gnawa Impulse, dat met traditioneel slagwerk, zagende basgitaar en uitgekiende elektronica-accenten een hypnotiserende groove wist neer te zetten.

Het hoofdpodium was eigenlijk ook het enige podium met artiesten van naam. Raptrio Daara J, razend beroemd in het eigen Senegal, kon rekenen op een publiek dat uit volle borst de teksten van de nieuwe cd Boomerang meebrulde. En ook Natascha Slagtand (Tasha's World), voor wie Dunya een lang uitgestelde thuiswedstrijd was, wist met haar jazzy r&b veel fans te mobiliseren.

Maar de echt grote namen – de Femi Kuti's, Oumou Sangare's en Afro Cuban All Stars van de vorige festivaledities – pasten dit jaar blijkbaar niet in het budget. Niet dat duurder meteen ook beter betekent, maar aan sommige groepen was duidelijk te zien dat ze niet gewend zijn op een groot podium te staan. Zo doen de tabla met breakbeats van Sutra Funk het waarschijnlijk heel goed in een intieme club, maar deze exotische vorm van ambient komt niet uit de verf in een verregend park. En de rommelig ogende maskerdansen van Daruê Malungo of de tamme tango van Trio Hernan Ruiz zijn een terugval in het folklorisme waar Dunya juist vanaf wil.

Raul Paz past veel beter in die antigeitenwollen sokkenlijn. De voorman van de nuevo latino-beweging heeft duidelijk wel geproefd van són en samba maar mengt die genres met stevige porties gitaarrock, ska en soul. De jonge Cubaan klinkt als een latijnse Lou Reed, maar is helemaal van deze tijd. En het moet raar lopen of hij staat binnen een paar jaar op het hoofdpodium. Mits Dunya hem dan nog kan betalen natuurlijk.

Festival: Dunya. Gehoord: 30/5 in Park bij de Euromast, Rotterdam.

    • Edo Dijksterhuis