`Ze begrepen niet waar ik mee bezig was'

Regisseur Lotte van den Berg krijgt op 14 juni de Erik Vos prijs voor veelbelovende theatermakers. In de gevangenis van Antwerpen maakte ze een toneelstuk voor en met gevangenen.

Zes gevangenen staan op een rij. Onverstoorbaar blikken ze de zaal in. Het lijkt op een line-up in een politieserie: wie is de dader? Zo nu en dan raken de mannen elkaar even aan, om elkanders kraagje recht te schikken, het grijze gevangenisoverhemd van een buurman in de plooi te trekken. Die onverwacht zorgzame gebaren breken niet de spanning maar wel de grimmigheid. Ook in een overvolle Antwerpse gevangenis is er een vermoeden van tederheid mogelijk.

Abdel, Chris, Erik, Jan, Leonardo en Pol. Geen achternamen, tot voor kort zelfs alleen maar initialen. Deze zes Belgische gedetineerden spelen de glansrol in Begijnenstraat 42, een toneelstuk dat de Nederlandse regisseur Lotte van den Berg voor het Toneelhuis maakt in het Antwerpse huis van bewaring: ,,ze vonden het vaak onzin wat ik bedacht, ze snapten er geen ruk van. Een van de mannen zei: `als ik dit op tv zou zien, zou ik meteen zappen'.''

Lotte van den Berg (28) krijgt op 14 juni in Amsterdam de tweejaarlijkse Erik Vos prijs voor veelbelovende theatermakers. Met een beetje geluk neemt ze diezelfde avond de VSCD Mimeprijs mee naar huis, voor het genomineerde toneelstuk Ik zou mezelf willen weggeven maar ik weet niet aan wie. Ze was zich er nog niet van bewust dat ze mime maakte. Ze maakte in haar driejarige carrière vooral jeugdtheater.

Van den Berg is niet de eerste toneelmaker die de gevangenis opzoekt. De Dogtroep maakte enkele jaren geleden bijvoorbeeld nog een voorstelling in de gevangenis van Brugge. Wel bijzonder is dat de gevangenen zelf het stuk spelen. Van Begijnenstraat 42 worden alleen besloten voorstellingen gegeven. Buitenstaanders kunnen de vorderingen volgen op de website van het Toneelhuis. De spelers laten hierop hun enthousiasme blijken. ,,Laat het publiek maar binnen, dan laat ik ze opnieuw de sfeer van die oude gangen opsnuiven'', schrijft bewaker Jan. ,,Echt theater, show! Mooi, mooi, mooi!'' schrijft gedetineerde Pol.

Voor de uitverkoren bezoekers is de tocht naar binnen al een belevenis. Paspoort inleveren, bezittingen in een vuilniszak bij de poort achterlaten. Fouilleren. Om de paar meter een nieuwe deur of een hek, nieuwe sloten, een nieuwe bewaker. Hier en daar hangen posters van oude gevangenisfilms. Het theatertje is grijs geverfd. Het is warm. Na lang wachten worden de spelers op een rij binnengeleid. De bewaker doet de theaterdeur op slot.

De mannen doen weinig op het toneel. Ze staan op een rij, zitten op een stoel, staren voor zich uit en roken een sigaar. Plotselinge uitbarstingen van agressie – ze gooien de stoel tegen de muur, een medegevangene wordt dreigend benaderd – worden afgewisseld door onverwacht poëtische bewegingen: twee dansende mannen, een vrouw in een rode jurk die de getekende koppen betast, een gevangene die een ander in zijn armen wegdraagt. Zo beelden ze het grote verschil uit tussen de grauwe, monotone buitenwereld en hun kleurrijker binnenwereld. Gevangene Leonardo schrijft op de website: je suis tout les jours pas ici (Ik ben altijd niet hier).

Van den Berg: ,,Als de omgeving en achterliggende verhalen al zo overheersend zijn, moet je de voorstelling zo eenvoudig mogelijk houden. Ik wil met simpele beelden hele ingewikkelde gevoelens en grote verlangens uitdrukken.''

Doordat er weinig handelingen zijn en geen tekst, gaat de aandacht vooral uit naar de mannen zélf. Hoe ze eruit zien. De elegante Arabier, de dikke die zijn korte armen niet meer naast zijn lichaam kan houden, de grote trage man met de baard, de bril en de koffietanden. Je zou ze zo in de kroeg kunnen tegenkomen, of bij de sigarenboer. Het contrast tussen die doodgewone hoofden en het vermoeden van de misdaden die ze hebben begaan, maken deel uit van het drama. Wie de criminelen de basispassen van het klassieke ballet heeft zien doen, kan geen afkeer meer voor ze voelen. Het enthousiaste applaus na afloop is navenant: alsof de buitenwereld ze vrij wil klappen.

Buiten het theater spelen is een constante in Van den Bergs werk: ,,Ik wil de vanzelfsprekendheid doorbreken. In het theater is het vanzelfsprekend dat ik een toneelstuk maak, in een gevangenis zeker niet. Dus vraag ik mij daar automatisch doorlopend af waarom ik zo nodig dát wil vertellen. Dat houdt me scherp. Buiten krijg ik bovendien van alles uit de werkelijkheid aangereikt, zodat een soort documentaire-theater ontstaat. In een theaterzaal ben ik sneller geneigd rondjes om mezelf heen te draaien.''

Ook het werken met niet-acteurs doorbreekt de vanzelfsprekendheid: ,,Ze staan op een andere manier op het podium dan acteurs, échter, minder bewust van hoe ze staan. Theater gaat over het spel tussen echt en onecht. Dit zijn échte gevangenen die gevangenen spelen; ze spelen handelingen die ik uit hun echte leven heb geplukt. Die wisselwerking is interessant.'' Van den Berg geeft toe dat de inzet van amateurs ook een nadeel heeft. ,,Ze maken zichzelf zo kwetsbaar. Het gevaar van aapjes kijken ligt op de loer. Je gaat toch naar huis met het gevoel: `ik heb échte boeven gezien'.''

,,Bij deze jongens was bijkomend complicatie dat ze de grootste problemen van de wereld hebben, zo groot dat het maken van een toneelstukje erbij in het niets zinkt. Het zijn vaak eenlingen, niet gewend in een groep te werken. En ze zijn soms wantrouwend. De omgeving woog ook zwaar op me. Er zitten hier zeshonderd man, honderd meer dan het maximum. Dat brengt grote onrust teweeg, ook onder de onderbemande bewaking, die daarom vlak voor de première in staking ging. Verschillende mannen zijn eruit gestapt, sommigen konden de druk niet aan, anderen kwamen vrij en mochten de gevangenis niet meer in.

De acht weken repeteren betekenden volgens Van den Berg veel voor de gevangenen: ,,Ze bloeiden echt op. Het moest echter geen therapie worden, of een sociaal-politiek pamflet. Het moest wel kunst opleveren. Soms waren de belangen schrijnend tegengesteld. Vlak voor de première zou Erik op borgtocht vrijkomen. Op het laatste moment hoorde hij dat het niet doorging. Dat was een zware slag voor hem. Maar ik dacht stiekem: dan kan hij toch meespelen.'' Ondanks de tedere momenten blijft de avond een grimmig karakter houden. De spanning en grimmigheid gaan pas echt aan diggelen als de orgelspeler een feestnummer inzet en de spelers in krankzinnige uitdossingen – hoepelrokken, ruimtehelmen, hesjes van struisvogelveren – een polonaise door de zaal maken: ,,We gaan nog niet naar huis. Nog lange niet. Nog lange niet.''

Als toegift doen de mannen nog een discodansje, op Britney Spears' Hit me baby one more time, dat opeens over een passiemoord lijkt te gaan. Een gespierde bewaker in het publiek springt op en danst fanatiek mee. Hij had vrij vanavond, maar het dansje wilde hij niet missen.

    • Wilfred Takken