Wien wain wijn wèn

De Amsterdammer noemt een konijn een

`kenèn' maar in Zwolle zegt men `kniene'. In

het tussenliggende gebied is de uitspraak telkens iets verschoven.

Wilbert Heeringa maakte dialectkaarten van de

verschuivingen.

EEN WANDELAAR die van Oost-Groningen naar West-Vlaanderen loopt en onderweg praat met dialectsprekers, hoort het Nederlands veranderen. Het woord voor `wijn' bijvoorbeeld verschuift langzaam van wien naar wain naar wijn tot wèn. De wandelaar zal ook merken dat de veranderingen in sommige gebieden subtiel zijn, terwijl ze elkaar in andere gebieden snel opvolgen. Hij komt op een gegeven moment langs Nunspeet, Putten, Amersfoort en Driebergen. Tussen Nunspeet en Putten verandert `deure' (deur) opeens in `deur'. Voorbij Putten verandert `pot-n' (potten) in `potte': de voor Noordoost-Nederland zo kenmerkende syllabische n verdwijnt opeens. En voorbij Amersfoort verandert `wien' in `wain'. De veranderingen vallen dus niet samen, het breekpunt ligt voor elk woord op een andere plek. Het gebied tussen Nunspeet en Driebergen is een overgangsgebied, waar – aldus de traditionele dialectologie – de Nedersaksische dialecten van Noordoost-Nederland overgaan in de Nederfrankische dialecten van de rest van het Nederlandstalige gebied (van Utrecht en Holland tot Vlaanderen en Limburg).

Op dialectkaarten van Nederland werden dialectgroepen tot nu toe altijd met scherp getrokken grenzen ingetekend. Wilbert Heeringa, taalkundige aan de Rijksuniversiteit Groningen, heeft nu voor het eerst kaarten gemaakt waarop de geleidelijke veranderingen goed in beeld worden gebracht.

Heeringa ontleende zijn data-materiaal aan de Reeks Nederlandse Dialectatlassen (RND), die werd samengesteld in de periode 1925 tot 1975. Hieruit selecteerde hij 360 Nederlandse en Vlaamse dialecten. Vervolgens bekeek hij de uitspraak van 125 alledaagse woorden, die voor al deze dialecten zijn opgetekend.

Voor elk van de dialecten liet hij de computer de linguïstische afstand tot de andere 359 dialecten berekenen. Hiervoor gebruikte hij de techniek van de Levenshtein-afstand, die eerder werd toepast bij het vergelijken van DNA-structuren en vogelzangpatronen. De computer vergeleek woorden met elkaar en berekende het verschil. Bijvoorbeeld: in Amsterdam wordt een konijn een `kenèn' genoemd, terwijl men in de buurt van Zwolle spreekt van een `kniene'. De computer legt deze woorden naast elkaar en bekijkt hoeveel veranderingen er nodig zijn om `kenèn' in `kniene' om te zetten (of omgekeerd). Dat zijn er drie: van kenèn naar knèn naar knien tot kniene. Dit getal wordt vervolgens gedeeld door de lengte van het woord (waarbij de twee varianten eerst in elkaar worden geschoven, dus: k, (e), n, ie/è, n, e = 6 klanken) en daar rolt dan het cijfer uit dat het verschil weergeeft: 3 gedeeld door 6 is 0,5 (oftewel 50 procent).

Zo werd het verschil voor alle 125 woordparen berekend. En dat weer voor 360 dialecten, waarbij voor ieder dialect de afstand tot de overige 359 dialecten berekend werd. In totaal ging het om 8 miljoen berekeningen.

grijswaarde

Het cijfermateriaal dat hieruit rolde, werd vervolgens op verschillende manieren gevisualiseerd. Allereerst werden op een gewone kaart van Nederland en Vlaanderen de 360 dialecten met punten aangegeven, waarna ieder punt door middel van lijntjes met de andere 359 punten verbonden werd. De grijswaarde van het lijntje geeft de linguïstische afstand aan. Een groot verschil resulteert in een wit lijntje (dat wegvalt op de witte ondergrond), kleinere verschillen leveren grijze lijntjes op. Hoe donkerder het lijntje, hoe kleiner de linguïstische afstand. Zo ontstond een kaart met donkere en lichte gebieden. In de donkere gebieden veranderen de dialecten minder snel dan in de lichte gebieden.

Deze kaart (Kaart 1) laat mooi zien dat er in Noordoost-Nederland duidelijk drie groepen dialecten te onderscheiden zijn: het Fries, het Gronings-Nedersaksisch en het Overijssels-Nedersaksisch. (Met de ogen halfdicht geknepen is het algemene beeld beter te zien.)

Voor de rest van Nederland, het domein van de Nederfrankische dialecten, is het beeld minder duidelijk. Limburg is nagenoeg wit, wat erop duidt dat de verschillen tussen dat dialect en aangrenzende dialecten er veel groter zijn dan elders in Nederland. Vlaanderen maakt een zeer verbrokkelde indruk, het is een bonte verzameling van lichte en donkere gebieden.

Een andere manier om de linguïstische afstand tussen de dialecten te visualiseren is multidimensional scaling: de dialecten worden in een abstracte ruimte geplaatst, op zo'n manier, dat de ruimtelijke afstand tussen de dialecten zo goed mogelijk correspondeert met de linguïstische afstand. Er is eigenlijk een ruimte van 359 dimensies voor nodig om die afstanden precies weer te geven. Maar als je de dialecten in een drie-dimensionale ruimte plaatst, wordt de werkelijke situatie al voor 88 procent benaderd. Bij 4, 5 en 6 dimensies is dat respectievelijk 92, 95 en 96 procent. Heeringa koos voor een drie-dimensionaal model, omdat de meerwaarde van meer dimensies volgens hem gering is.

Bovendien is het aardige van drie dimensies, dat ze als kleuren op een gewone landkaart kunnen worden geprojecteerd. Aan iedere dimensie wordt een kleur toegekend (rood, blauw en groen) en die kleuren worden, als bij een televisietoestel, met elkaar vermengd. Elk dialect krijgt zo zijn eigen unieke kleur. Verwante dialecten krijgen kleurschakeringen die dicht bij elkaar in de buurt liggen.

Fries

Op de kaart die zo ontstaat (Kaart 2), is opnieuw goed te zien dat het Fries (blauw) een geheel eigen positie inneemt. En opnieuw vormen de Nedersaksische dialecten van Noordoost-Nederland (donkergroen) een duidelijk geheel. De overgang naar de Nederfrankische dialecten is ook goed te zien, het overgangsgebied ligt boven de as Amersfoort-Groesbeek. Ook het Limburgs (lichtgroen) tekent zich duidelijk af als een afzonderlijke groep. De overgangen tussen de overige dialecten – Hollands, Utrechts, Brabants, Zeeuws, Oost- en West-Vlaams – zijn geleidelijker; samen vormen deze dialecten een continuüm van grijs naar donkerroood.

Deze kaart maakt trouwens ook korte metten met het idee dat er een duidelijk verband zou zijn tussen de Friese en de Noord-Hollandse (`Westfriese') dialecten – iets wat vroeger nog wel eens werd aangenomen op grond van de historische banden die er tussen deze gebieden zijn.

Heeringa onderwierp zijn cijfermateriaal ook aan een `clusteranalyse' (afbeelding hieronder). De computer maakte een boomdiagram met binaire vertakkingen, waarin zich eerst het Fries en daarna het Limburgs aftakt. Vervolgens vertakt de boom zich verder: de Nedersaksische en de Nederfrankische dialecten (minus het Limburgs) splitsen zich van elkaar. In de traditionele indeling wordt het Limburgs vaak tot het Nederfrankisch gerekend, maar dit boomdiagram laat zien dat daar weinig reden voor is.

Een derde kaart (Kaart 3), die Heeringa door de computer liet inkleuren, laat zien hoe groot de afstand is tussen de dialecten en het ABN. Het dialect van Haarlem ligt het dichtst in de buurt van het standaard-Nederlands (maar verschilt nog altijd voor 14,7 procent). Het (Friese) dialect van Schiermonnikoog is er het verst van verwijderd: 44.9 procent. Dat wil zeggen dat een tekst in ABN en de vertaling daarvan in het Schiermonnikoogs maar de helft van de klanken met elkaar gemeen hebben.

Het Nederlandse dialectcontinuüm eindigt abrupt in het Zuiden. Daar botst het tegen het Romaanse dialectcontinuüm. Maar in het Oosten, voorbij de Nederlands-Duitse grens, gaat het continuüm gewoon door, het maakt deel uit van het grotere Germaanse continuüm, dat pas bij Polen opbotst tegen een ander groot continuüm, dat van de Noord-Slavische talen. Hoe de overgang bij de Nederlands-Duitse grens is, en of daar nog gekke dingen gebeuren, heeft Heeringa al eerder onderzocht, samen met collega's van de Groningse universiteit. In 1999 bekeken zij zeventien dialecten aan weerszijden van de grens bij Bentheim (de inham boven Twente). Materiaal uit 1975 werd vergeleken met materiaal uit 1999. Daaruit bleek dat de Duitse dialecten in die twintig jaar tijd een beetje verschoven waren richting Standaard-Duits, terwijl de dialecten aan de Nederlandse zijde een beetje in de richting van het ABN waren gekropen.