Verdronken in het verleden

Ze hebben nachtmerries en voelen zich vaak depressief. De bewoners van het Visserhuis, een joods verzorgingshuis in Den Haag, brengen hun oude dag door te midden van lotgenoten. Het personeel probeert het leven in huis zo prettig mogelijk te maken, maar komt bedrogen uit. `De bewoners zijn altijd bezig met hun oorlogsverleden.'

`Man, ongeveer 30 jaar, Arabisch uiterlijk, glad gelaat, geen beharing, ongeveer 1 meter 75, slank postuur. Hij maakt een nette indruk en spreekt perfect Nederlands. Indien u deze man ziet in de omgeving van het mr. L.E. Visserhuis, neem dan onmiddellijk contact op met de politie.' Deze aankondiging hangt op personeelskamers van het Visserhuis, een joods verzorgingshuis in Den Haag. De Arabische onbekende zag de Hebreeuwse letters op de voorgevel van het huis staan en vertelde een personeelslid dat hij zou terugkomen met een bom.

De directie van het toch al streng beveiligde verzorgingshuis schakelde extra bewaking in, maar piekerde er niet over de bewoners te vertellen over de bedreiging. Dit zou kunnen werken als trigger, een zware prikkel. Met als gevolg dat er bij de joodse bejaarden herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog naar boven komen en dat ze daarvan volledig in paniek raken. ,,Bij alles wat we doen, moeten we rekening houden met het verleden van de bewoners'', vertelt Gonda de Jong, verzorgster in het Visserhuis.

De Jong loopt rond in één van de 47 kamers. Bij mevrouw Rozenstijn zet ze een raam open met uitzicht op de Scheveningse bosjes. Stralen zonlicht en de geluiden van vogels komen naar binnen. Het Visserhuis in Den Haag is ruim en licht van opzet. Het is ongeveer elf jaar geleden ontworpen met het idee dat joodse bejaarden een zonnig huis verdienen waarin ze zich niet opgesloten voelen. Toch lijkt de mooie, ruime kamer het leed van mevrouw Rozenstijn niet te kunnen verzachten.

,,Hoe voelt u zich vanmorgen?'', vraagt De Jong, terwijl haar arm om de schouders van de drieëntachtigjarige vrouw ligt. ,,Dit zijn moeilijke dagen. Ik slaap slecht, heb veel nachtmerries over de oorlog en deze week is het precies twee jaar geleden dat mijn man overleed'', antwoordt ze. Mevrouw Rozenstijn is nog helemaal bij en is daarmee een uitzondering op de meeste van haar medebewoners. Haar ogen zijn vochtig, kijken verdrietig naar beneden. De Jong loopt langs verschillende familieportretten in fotolijsten en schakelt over op een ander onderwerp. ,,Wat heeft u toch een knappe, charmante kleinzoon'', zegt ze glimlachend. Mevrouw Rozenstijn hoort haar niet.

Al vier jaar lang werkt De Jong in het team van de verzorging met joodse bejaarden van de verschillende gezindten, orthodox, liberaal en niet-traditioneel. Ze maakt de bedden op, serveert de maaltijden en zet de bewoners onder de douche. Van de meeste mensen weet ze veel over hun oorlogsverleden. Ze leest hierover in de sociale rapporten van de maatschappelijk werkster uit het huis, maar hun verhalen vertellen de bewoners zelf. ,,Soms kan ik mijn oren niet geloven. Ik hoor bijvoorbeeld over baby's, ouders en partners die vergast werden, over dat bewoners uren naakt in de sneeuw op wacht moesten staan, mishandeld werden en dat ze na de oorlog letterlijk niets meer hadden'', vertelt De Jong.

In april en mei is de situatie in het huis het ergst, dan krijgt de verzorgster in bijna elke kamer een trieste geschiedenis te horen. Pesach wordt feestelijk gevierd, maar de bewoners van het Visserhuis kunnen daar niet echt van genieten met de dodenherdenking in het vooruitzicht. Op 4 mei sluiten de meeste bejaarden zich 's avonds op in hun kamer en is de sfeer in huis om te snijden. De Jong steunt in die periode de bejaarden zoveel mogelijk. ,,Dan klagen de bewoners over alles, en proberen ze mij en mijn collega's letterlijk vast te houden op hun kamers.'' De verzorgster gaat dan af en toe ook in haar vrije tijd bij bejaarden op bezoek. ,,We proberen het leven voor deze mensen zo prettig mogelijk te maken. Wat kunnen we anders doen dan een luisterend oor bieden en geduld opbrengen?''

Klikkende laarzen

De Jong is van oorsprong ziekenverzorgster en heeft net als de meeste collega's geen speciale opleiding om met getraumatiseerde bejaarden te werken. Ze heeft ook geen joodse achtergrond. ,,Ik volg gewoon mijn gevoel en heb in de jaren dat ik hier werk veel over het joodse geloof geleerd. Wanneer ik vragen heb, kan ik naar de maatschappelijk werkster van het huis of naar de rabbijn. Zij helpen me dan verder.''

Ze doet haar werk nu beter dan vier jaar geleden, omdat ze de bewoners goed heeft leren kennen. ,,Ze hebben allemaal een ander verhaal en willen verschillend behandeld worden. Sommige bejaarden vinden het bijvoorbeeld in april ontzettend moeilijk om onder de douche te gaan omdat ze denken aan gaskamers. Ook weet ik dat ik bij sommige bejaarden af en toe de koelkast moet leeghalen, want die staat dan overvol met bedorven spullen die ze hebben gehamsterd voor het geval er weer oorlog uitbreekt.''

Volgens Jaap van der Veer, ouderenpsychiater bij het Sinaï Centrum in Amersfoort, hebben de meeste joodse bejaarden in mindere of meerdere mate een chronische posttraumatische stressstoornis. Daarmee omgaan kan voor verzorgenden erg ingewikkeld zijn. De psychiatrie onderscheidt twee traumagroepen, de ene kampt met een posttraumatische stressstoornis, de andere met een chronische posttraumatische stressstoornis. Bij de eerste groep gaat het om een stoornis die is ontstaan door een eenmalige gebeurtenis. Bijvoorbeeld een brand of een ongeluk. Mensen die aan deze stoornis lijden, kunnen last hebben van herbelevingen, slaapstoornissen, nachtmerries en extra waakzaamheid.

Bij de tweede groep gaat het om een stoornis die is ontstaan doordat iemand langdurig heeft blootgestaan aan `onmenselijke gebeurtenissen', zoals seksueel misbruik of een verblijf in een concentratiekamp. ,,Joodse bejaarden die aan een chronische posttraumatische stressstoornis lijden voelen zich snel bedreigd, vertrouwen niemand, slapen slecht en kunnen in het ergste geval zulke kwellende gedachten ervaren dat ze het gevoel hebben letterlijk weer terug te zijn in een oorlogssituatie. Ik heb zelf wel eens een patiënt gehad in het joodse verzorgingshuis Beth Shalom in Amsterdam. Zij hoorde een geluid in het huis en wist toen zo zeker dat Duitsers haar kwamen halen, dat ze haar polsen doorsneed. Toen iemand haar liet zien dat er geen Duitsers in het huis waren, wist ze ook meteen dat ze zich had vergist.''

Volgens de psychiater is het erg belangrijk dat het personeel weet hoe het moet omgaan met mensen die aan een chronische posttraumatische stoornis lijden. ,,Je moet ze niet betuttelen. In de oorlog werden ze gecommandeerd en daarom kunnen ze er slecht tegen.'' Bovendien moeten de bejaarden volgens Van der Veer zo min mogelijk geprikkeld worden. ,,Door bijvoorbeeld klikkende laarzen te dragen, of onverwacht een kamer binnen te komen, kunnen deze mensen zo in de stress raken dat ze het gevoel hebben midden in de oorlog te zitten. Het is belangrijk dat je weet dat dit kan gebeuren en dat je ze vervolgens uit kunt leggen wat de realiteit is.'' De psychiater vindt dat er nog een ander belangrijk aandachtspunt voor personeel van joodse verzorgingshuizen: hun eigen psychische gesteldheid. Als mensen altijd worden geconfronteerd met nare verhalen en depressiviteit van anderen en niet weten hoe ze hier mee om moeten gaan, kan een secundaire traumatisering optreden. De verzorgende gaat dan zo mee in de problemen van de bewoner dat hij of zij zelf getraumatiseerd raakt. ,,Het personeel moet hierover goede informatie krijgen.''

De Jong heeft geen last van secundaire traumatisering. In het Visserhuis heeft ze een cursus gehad van een specialist op het gebied van traumaverwerking. Ook tijdens gesprekken met de maatschappelijk werkster is het verzorgingsteam steeds op het risico gewezen. Zelf merkt ze dat ze door de jaren heen steeds beter met de verhalen en de depressieve buien van de bewoners kan omgaan. ,,Vroeger nam ik nare dingen veel vaker mee naar huis en ging ik zelfs in mijn vrije tijd met bewoners op pad, omdat ik het gevoel had dat ik ze weer gelukkig kon maken. Nu weet ik dat dit niet kan. Deze mensen worden niet meer beter'', vertelt ze. ,,Ik voel me wel nog steeds te betrokken.''

Ze vindt het lastig dat de bewoners zoveel klagen, terwijl de zorg zo goed geregeld is. Een personeelstekort is er niet en er wonen minder mensen dan in een gewoon verzorgingshuis. ,,Niets is goed genoeg voor de bewoners. We hebben geen opleiding, en zijn dom, het eten is niet lekker en de directrice laat nooit wat van zich horen. Ik kan daar soms echt kwaad van worden'', zegt De Jong. ,,We werken met een vast team en er is genoeg aandacht voor iedereen. De bewoners doen soms echt alsof ze het hier vreselijk vinden. Mijn collega's en ik maken daar wel eens grappen over. We zeggen dan bijvoorbeeld tegen elkaar dat de bewoners voor de lol eens zouden moeten ruilen met bewoners uit een gewoon verzorgingshuis.''

Soms vraagt zij zich af of het niet beter zou zijn voor sommige joodse bejaarden om in een normaal verzorgingshuis te wonen met mensen die niet elke dag in gedachten bezig zijn met hun oorlogsverleden en elkaar ook wel eens een leuk verhaal vertellen. ,,Bewoners zijn hier dubbel triest. Ze zijn verdrietig omdat ze ouder worden en steeds minder mobiel zijn, maar ook omdat ze een oorlogslast met zich mee dragen.''

Niet veilig

Mevrouw Rozenstijn zou nooit in een normaal verzorgingshuis willen wonen. Ze heeft altijd zeker geweten dat ze samen met haar man naar een joods verzorgingshuis zou gaan. ,,In een gewoon verzorgingshuis zou ik me niet veilig voelen. Daar zouden ze me beoordelen op het feit dat ik joods ben. De laatste jaren is er weer veel meer openlijk antisemitisme. Luister maar naar sommige reacties op de oorlog in Irak. Hier weet ik in elk geval zeker dat niemand een mening heeft over mijn achtergrond.''

Het geloof was voor haar nooit een overweging om in het Visserhuis te gaan wonen. Dat ze nu een synagoge aan huis heeft en de joodse feestdagen moet vieren neemt ze voor lief. ,,Na de oorlog heb ik nooit meer volgens de joodse leefregels geleefd, maar ik vind het ook niet erg dat ik me er hier wel aan moet houden.'' De oude dame zit in de eetzaal van het Visserhuis en lepelt uit een bord kippensoep. Alle drie haar tafelgenoten zijn ziek en blijven vandaag op hun kamer. Ook aan andere tafels zitten bejaarden alleen te eten, maar aan tafel zitten of een gesprek aangaan met andere bewoners wil mevrouw Rozenstijn niet. ,,Ik sluit me voor hen af. Ik wil geen hechte vriendschappen meer opbouwen, want ik vind het vreselijk wanneer de mensen dan zouden sterven.'' Over haar oorlogsverleden zou ze met geen van de bewoners uit het Visserhuis kunnen praten. ,,Ik weet niet wat voor oorlogsverleden de mensen hebben. Ik begin daar bewust niet over. Iedereen vindt zijn eigen pijn toch belangrijker.''

Ook de vijfenzeventigjarige meneer Polak heeft geen behoefte om onder het eten met andere bewoners te praten. Volgens hem zeuren de mensen in de eetzaal en daarom nuttigt hij de maaltijden alleen op zijn kamer. ,,Ik heb wel eens een aanvaring gehad met een bewoner die aan het klagen was over wat hij hier in huis te eten kreeg. Die man zat veilig ondergedoken in de oorlog, want als hij net zoals ik in drie verschillende concentratiekampen had gezeten, zou hij het niet in zijn hoofd halen om te zeuren over een goede maaltijd. Ik werd daar woedend van!''

De Jong maakt een rondje langs de tafels en blijft ook even staan bij mevrouw Rozenstijn. ,,Smaakt de soep een beetje?'', vraagt ze. ,,Ja, het is heerlijk'', antwoordt de vrouw vriendelijk. ,,Wat naar voor u dat uw tafelgenoten er vandaag niet zijn.'' De verzorgster verbaast zich er nog steeds over dat de bejaarden onder het eten bijna geen woord met elkaar wisselen. ,,Het zou zo gezellig kunnen zijn, maar soms is het net alsof ze elkaar het licht in de ogen niet gunnen.'' Zelf kan ze niet verklaren waar het stilzwijgen aan ligt, maar met haar collega's heeft ze het er vaak over. ,,Misschien denken ze wel dat het in de oorlog ieder voor zich was, dus dat dit nu ook zo moet zijn.''

Van der Veer heeft een andere verklaring voor het moeizame contact tussen de bejaarden in het joodse verzorgingshuis. ,,In de concentratiekampen hebben ze van elkaar moeten stelen en dat weten ze nog heel goed. Ze zullen elkaar nooit helemaal kunnen vertrouwen en praten onderling dan ook weinig over hun oorlogsverleden.'' Van der Veer weet niet of het wel of niet goed of gezond is voor joodse bejaarden om met elkaar in huis te wonen. ,,Ik weet dat er maar weinig joodse bejaarden zijn die kiezen voor zo'n huis. In Nederland zijn er maar twee joodse verzorgingshuizen en daar zijn geen lange wachtlijsten voor. De mensen die er wel heel bewust voor kiezen om in Beth Shalom in Amsterdam of in het Visserhuis in Den Haag te wonen willen graag onder lotgenoten zijn. Ze gaan terug naar hun wortels en dat geeft een veilig gevoel.''

Van der Veer weet dat aan het personeel cursussen worden gegeven om het leven van de bewoners in een joods verzorgingshuis in elk geval zo `gezond' mogelijk te kunnen maken. ,,Wat belangrijk is voor joodse bejaarden, is dat ze ook op een normale manier verouderen. Ze moeten niet alleen maar bezig zijn met de oorlog. Het deelnemen aan activiteiten die in de huizen georganiseerd worden is voor deze bejaarden erg belangrijk.''

In het Visserhuis is een speciale afdeling die activiteiten organiseert. Bejaarden kunnen aan van alles deelnemen, zoals bewegingslessen, bloemschikken, bijbellessen en uitstapjes. Mevrouw Rozenstijn doet zelden mee. Ze blijft meestal liever op haar kamer. ,,Ik heb daar gewoon niet zoveel behoefte aan'', zegt ze. De Jong vindt dat jammer, want uit ervaring weet ze dat de bewoners ervan opknappen als ze aan activiteiten meedoen. ,,We kunnen niemand dwingen, want het moet toch uit de mensen zelf komen. Gelukkig zijn er veel mensen die wel meedoen'', zegt ze. Ze zit op de leuning van de stoel van de oude dame. ,,Wat vond u gister van mijn optreden tijdens de jaarlijkse playbackshow? Vond u mij geen stuk?'', vraagt ze. De ogen van mevrouw Rozenstijn lichten voor het eerst die dag op. ,,Ik vond het prachtig en had het gevoel bij een optreden in de schouwburg te zitten'', zegt ze.

Ik zou me niet veilig voelen in een gewoon huis.

Daar beoordelen ze me op mijn joods zijn

    • Anouk de Wilde