Sportvrije ruimte

Een Frans of een Italiaans dorpsplein, de herenclub bijeen, ze bespreken wat er in de krant staat. Sommige leden hebben een exemplaar bij zich, slaan er af en toe op, wijzen het bewuste bericht, de column, het hoofdartikel aan. Het loopt hoog op. Hier! Hier staat het! In de nationale slijpsteen! In L'équipe, de Gazetta della Sport.

Heel lang heb ik lid van zo'n herenclub willen zijn. Wat een zorgeloos bestaan. Na een dag van gezonde arbeid op het land of in de wijngaard 's avonds met de vrienden op het plein, onder de door je overgrootvader geplante plataan over voetbal lullen. Ik wist er alles van. Nooit meegezongen met het We gaan naar Rome (bis), We nemen Vente en Bakhuys mee! Leen Vente was een begenadigde dribbelaar, Bep Bakhuys de middenvoor, en in Rome werden toen de kampioenschappen gehouden. Dat lied leek me voorbarig. Ik had het goed gezien. We gingen niet naar Rome, we kwamen niet verder dan Milaan waar we werden tegengehouden door de Zwitsers. De Zwitsers! Die moesten voetballen op hun kleine veldjes tussen de bergen. Dat was geen voetbalnatie. Maar toch. Te vroeg, te hard geschreeuwd, te veel lawaai.

Toen kwam het rampjaar 1974. München. Sommige mensen denken aan Chamberlain. Ik en de meeste Nederlanders die deze tijd bewust hebben meegemaakt, aan de laatste minuten van de finale tegen Die Mannschaft. Daar wil ik het niet meer over hebben. Vier jaar later, Argentinië, het afstandsschot van Arie Haan. Van veertig meter schoot hij Die Mannschaft de kampioenschappen uit. Toen ik hem later eens toevallig tegenkwam, heb ik hem een hand gegeven om hem daarvoor de bedanken.

Dit alles om u te laten weten dat ik er enig verstand van heb. En nu staan we voor de zomer van 2004, Portugal, de Olympische Spelen en ertussendoor ook nog de Tour de France. Je hoort nu al hoe de mensen zich warm schreeuwen. In de kroegen langs alle Europese pleinen en pleintjes staat de televisie aan. Je hoeft er geen seconde naar te kijken om te horen wat er te zien is. Je hoeft de taal vam het land niet te verstaan om te begrijpen hoe de toestand op het veld is. De verslaggever herkent de gevaarlijke/veelbelovende situatie, raakt in ondraaglijke spanning, vervoering, onmenselijke triomf, wanhoop, verslagenheid. In het Pools, Engels, Frans, Turks, Nederlands, van een afstand maakt het geen verschil. Het voetbalverslag heeft een universeel-Europese verstaanbaarheid gekregen, en hetzelfde geldt voor de toonaard en volume waarin het publiek zich uitdrukt. Een componist zou er muziek voor een groot orkest met koor van kunnen maken.

Deze zomer wordt de sport massaler, komt met meer decibels over meer kanalen in meer directe uitzendingen, nabeschouwingen en herhalingen over Europa. Het zal de grootste overweldiging door sport in de wereldgeschiedenis worden. En daarbij komt het gevaar van het terrorisme. Dit betekent dat meer mensen dan ooit de veiligheid van meer mensen dan ooit moeten verzekeren. Op het ogenblik dat ik dit schrijf zijn duizenden, misschien wel tienduizenden aan het trainen om de honderdduizenden voor aanslagen te bewaren. Zeventig jaar geleden was het ook geen vreedzame tijd. Maar toen, in Rome, had je waarschijnlijk aan één carabiniere op 50.000 mensen genoeg. In 1974, middenin de Koude Oorlog, zal de verhouding niet veel anders zijn geweest. Nu, bij Feyenoord-NAC, zijn 200 man ME niet genoeg voor 20.000 toeschouwers. De omvang van de krijgsmacht die voor de Olympische Spelen op de been wordt gebracht is me niet bekend, maar ik denk dat je er destijd gemakkelijk een Trojaanse oorlog mee had kunnen voeren. Er is een wereldsituatie denkbaar waarin het aantal bewakers dat van de genieters zal overtreffen.

Goed. Zo is het nu eenmaal. Alles overweldigend. Dit betekent dat een minderheid, die in de democratie ook zijn fundamentele rechten mag en moet laten gelden, onder de voet dreigt te worden gelopen. Aan het Uddelermeer zittend, de Eiger Nordwand beklimmend wordt je straks achtervolgd door de stadionmuziek die ik hierboven heb beschreven.

Ik rook sigaretten. Ik heb er vrede mee dat sommige mensen het aroma van brandende tabak als een ondraaglijke stank ervaren en niet willen dat hun gezondheid door de giftige stoffen in de tweedehands rook worden bedreigd. Ik respecteer hun rookvrije ruimte. En zo wil ik dat de Europese overheden – `Brussel' – voor de komende maanden sportvrije ruimtes zullen creëren. Kantoorlokalen zonder radio of televisie, straten waar de mensen alleen met de ramen dicht de sportgebeurtenissen mogen volgen, cafés, restaurants zonder media met geluid, plaatsen van samenkomst waar je niet bewaakt hoeft te worden. En dit zonder dat je daarmee verplicht wordt voor de duur van het evenement in een ton te wonen.

Is dat juridisch haalbaar? Met het roken is het ook gelukt.