Onder professoren

Op 1 mei besteedde Vrij Nederland (VN) bijna een heel weekblad aan de zieleroerselen van professoren. Die had VN bemonsterd samen met onze academie, de KNAW, via een enquête. Ik gooi enquêtes in de prullenmand, maar 46% van mijn collegae zijn behulpzamer en die 46% bleken gelukkig representatief. Nu weten we dus wat er leeft onder professoren die enquêtes invullen. Voor NRC-lezers, die naast al die NRC-bijlagen niet ook nog een hele VN doorkomen, hier een samenvatting.

De proffen zijn het opmerkelijk eens over de richting: de universiteit moet elitair zijn. Niet sociaal elitair – laat vooral de arbeiderskinderen tot ons komen – maar intellectueel elitair. Weg met de gemakzuchtige, ongemotiveerde student, die alleen uit is op een paar vaardigheden en een diploma aan de muur. Weg met de modieuze schertsstudies, waarmee universiteiten oneigenlijk ongeschikte studenten trekken. Naar het hbo ermee. Alle vormen van selectie moeten worden aangescherpt, tot en met selectie aan de poort. Uiteraard willen de proffen af van het perverse systeem van de output-financiering: de financiering per afgeleverde student. Dat werkt niveauverlaging in de hand. De prof wil afgerekend worden op de kwaliteit van het onderwijs, niet op het aantal behaalde diploma's.

Dat de prof niet wil dat de universiteit fuseert met het hbo is logisch. Als er steeds meer 18-jarigen in tertiaire opleidingen willen, wordt het hbo een soort tertiair vmbo en daar wil je niet bijhoren in je mooie toga. Niet logisch is dat de prof ook niet wil samenwerken met het hbo. Als je studenten die niet zo slim zijn kwijt wilt moeten ze ergens naar toe. Dan is een soepele aansluiting tussen universiteit en hbo handig.

De toekomst van de universiteit stemt de proffen niet vrolijk. De feitenkennis van de aankomende studenten daalt. De universitaire onderwijs- en onderzoekskwaliteit gaat teruglopen en de internationale status van de Nederlandse wetenschap wordt lager. De politieke babbels over stimulering van de kenniseconomie zijn loze praat gebleken. Van het innovatieplatform verwachten de proffen weinig.

VN heeft ook de buitenlandse hoogleraren die in Nederland werken om hun mening gevraagd. De buitenlanders zijn ook sceptisch over de politieke wil in Nederland om aan te haken aan de kenniseconomie, maar ze zijn meer te spreken over de kwaliteit van onze universiteiten dan hun Nederlandse collegae: `Nederland heeft een academisch minderwaardigheidscomplex.' Misschien kunnen onze universiteiten niet mee komen met Harvard, Stanford, Oxford of Cambridge (UK), maar ze zijn wel beter dan de gemiddelde Amerikaanse of Europese universiteit. Dat blijkt ook uit de reputatie van Nederland als onderzoeksland. Wij doen misschien niet zo veel spectaculaire ontdekkingen, maar het gemiddelde is hoog. In een lange periode van bezuiniging hebben de universiteiten zwak onderzoek gekapt. Wij produceren daardoor minder rommel dan andere landen. Dat verklaart de paradox: iedereen jammert over bezuinigingen, en terecht, en toch doen we het internationaal nog steeds vrij goed in de wetenschap. Dat zal niet zo blijven: Je kunt een tijdje dor hout kappen zonder dat het bos er echt aan gaat, maar het moment is nabij dat je er doorheen begint te kijken.

De proffen voelen niet veel voor een sterkere concentratie van talent in `topuniversiteiten', maar dat is niet verbazingwekkend: als we twee toppers krijgen, vallen er 9 van de huidige 11 universiteiten uit de speedboot. Die kans van 9 op 11 om 2e rangs te worden lokt niet echt. Wie zouden die toppers moeten worden? De proffen zelf zetten Utrecht en Leiden veruit bovenaan. Ook in een recente vergelijking van de wetenschappelijke kwaliteit van universiteiten in de wereld door de universiteit van Sjanghai, jazeker, komt Utrecht als eerste Nederlandse universiteit uit de bus op positie 45.

Dit soort wedstrijdjes zijn natuurlijk vrij mal, omdat de regels niet objectief zijn vast te stellen en de kleinere universiteiten, hoe goed ook, altijd in het nadeel zijn. Neem de geneeskunde in Nederland. Zelf denk ik dat de Erasmus Universiteit de beste medische faculteit heeft, maar dat is natte vingerwerk. Als ik het al niet zeker weet in mijn eigen vakgebied, hoe zou ik (of een andere prof) dan iets zinnigs kunnen zeggen over hele universiteiten?

Hetzelfde geldt uiteraard voor een ander wedstrijdje dat VN in haar enquête vlecht met de zegen van de KNAW: wie is de grootste Nederlandse wetenschapper? Christiaan Huygens komt als eerste uit de bus en daar kan ik vrede mee hebben. Maar Jan Tinbergen op de 2e plaats, vóór Erasmus en Antoni van Leeuwenhoek, kom nou. Ook de grootste levende Nederlandse wetenschapper levert een acceptabel antwoord: de natuurkundige Gerard 't Hooft en niet de columnisten Icke of Plasterk, maar het blijft een malle populariteitstest.

Na al die kritiek is het een opluchting dat de proffen nog steeds tevreden zijn over hun beroep. De honorering moet beter, de last van managementtaken is zwaar en de bureaucratie ondragelijk, maar meer dan 90% van alle proffen zijn `zeer tot tamelijk tevreden'. Die universitaire bureaucratie is recent in de publiciteit gekomen door een rapport van de Onderwijsraad, dat concludeert dat alle extra geld voor onderwijs in de afgelopen 20 jaar in de bodemloze put van de overhead is verdwenen. `Niet waar', schrijft De Wijkerslooth, namens de Katholieke Universiteit Nijmegen (NRC 29 april 2004): Nijmegen besteedt maar 3% van het universitaire geld aan de overhead en dat is nog ten dele opgedrongen door de regeltjes van de overheid. Toch ondervindt 68% van de hoogleraren `te veel bureaucratie' en is 50% te veel tijd kwijt aan managementtaken.

Wie heeft gelijk? Uiteraard worden universiteiten geplaagd door steeds fijnmaziger overheidsregels. Denk aan de regels voor proeven met recombinant DNA, radioactieve stoffen of proefdieren. Niemand windt zich op over de miljoenen muizen die jaarlijks door katten op hoogst onethische wijze worden gemarteld, of door ongedierteverdelgers professioneel worden geruimd. Van de paar muizen, die in paleiselijke muisverblijven een ongewilde bijdrage leveren aan kankeronderzoek, moet echter dagelijks een welzijnsrapport worden opgemaakt, dat door overheidsinspecteurs wordt gecontroleerd. Zo maak je onontkoombare overhead uit het niets, geen twijfel (en verspil je schaars onderzoeksgeld). Werd de bio-industrie maar zo gecontroleerd.

Toch is die papierwinkel, opgedrongen door de overheid, niet het hele verhaal. De universiteiten zijn in de afgelopen 30 jaar overgestapt op een centralistischer bestuur met meer fulltime managers, die vaak maar een beperkt benul hebben van wat er speelt in onderzoek en onderwijs. Die managers hebben eindverantwoordelijkheid. Zij zijn de baas, niet de hoogleraren die de vakkennis hebben. Oppervlakkig gezien lijkt dat doelmatig: de vakmensen doen hun vak, de managers het management. In de praktijk creëert het extra papierwerk: managers maximeren van nature hun greep op het organisatieproces en de prof moet daarvoor de informatie leveren. Iedere beslissing wordt ingewikkeld als die beslissingen genomen moeten worden door managers zonder kennis van onderwijs en onderzoek. Zulke beslissingen wekken ook meer weerstand dan moeilijke beslissingen genomen door een gerespecteerde prof.

Wat dan? Het meewerkende voorman/vrouw model, uiteraard, hier eerder verdedigd. Ik vind dat onderwijs en onderzoeksinstellingen op ieder niveau bestuurd moeten worden door meewerkende voormannen, onderwijzers die onderwijzen, onderzoekers die onderzoeken, dokters die patiënten zien. Zulke deeltijd bestuurders moeten natuurlijk worden bijgestaan door capabele fulltime managers, maar de managers moeten niet het laatste woord hebben. Dat heeft de meewerkende voorman/vrouw.

Het idee dat de meewerkende voorman uit de tijd is – `anno 2004 is onze organisatie daar te complex voor' – is onzin. Dit is hoe de Amerikaanse wetenschap is georganiseerd. Amerikaanse onderzoekers combineren een bestuursbaan met het runnen van een eigen lab. Zelfs Nobelprijsdieren als David Baltimore (president van Cal Tech), Paul Nurse (president van Rockefeller Unversity), Harold Varmus (voormalig directeur NIH, nu directeur Memorial Sloan Kettering kanker instituut), doen dat. Het kan ook in Nederland, zoals te zien is in het Nederlands Kanakerinstituut-Antoni van Leeuwenziekenhuis, waar de meewerkende voorman al 10 jaar het basisprincipe van de organisatiestructuur is.