Ierse dochter gered in Spanje, met dank aan Europa

Sinds 1 mei telt de Europese Unie 25 landen. Deel 15 van een serie familieportretten. Het verhaal van de Ierse familie Devenny. ,,Ik vind het prima dat we aan de rand van Europa liggen met water er omheen.''

Ze kan het zelf nog niet zeggen, maar María is een Europees burger. Ze is nu drieënhalf jaar oud, begint nog maar net te praten, kan pas een half jaar lopen en het is een wonder dat ze leeft.

Ze werd geboren in 2000, met een gat in haar hart en een afwijking aan de aorta. De vroedvrouw had gemist dat de foetus zich niet goed ontwikkelde en ook bij een reeks echo's was niks verkeerds opgemerkt. Na haar geboorte stond het vast dat ze zou sterven: het ziekenhuis in Belfast, dat routinematig hartoperaties bij kinderen uitvoert, weigerde María als kansloos te behandelen. ,,Goh, leeft ze nog?'', vroeg de kraamverzorgster op een maandag nadat ze María en haar ouders voor het weekeinde alleen had gelaten.

María's vader en moeder, John Devenny en Ana María Valadez Peña, gaven niet op, en María zelf ook niet. Ze maakten een lijst van ziekenhuizen in Spanje, Ana's geboorteland, en stapten met hun zieke dochter, intussen één jaar oud, op het vliegtuig. Het eerste ziekenhuis durfde de operatie niet aan. Het tweede, in Valencia, wel, mits John en Ana een reeks formulieren tekenden, waarin ze erkenden het risico van de operatie te kennen.

,,Waarom heeft God ons zo gestraft?'', had María's opa, James Devenny, geroepen. ,,Nee, God heeft haar gezegend met twee sterke ouders'', had Ana geantwoord.

De operatie slaagde. John en Ana hebben pas nu echt het idee dat ze hun dochter hebben. Twee jaar lang zijn ze dodelijk vermoeid geweest. Nu beginnen ze zelf ook weer te leven. En even later kregen ze nog iets: niemand had het ze verteld, maar ze ontdekten dat de operatie en andere Spaanse kosten vergoed werden door de National Health Service (NHS), het Britse ziekenfonds. Een Europese regeling maakt dat sinds kort mogelijk.

María heeft nu een speciale bril en twee gehoorapparaten, en je kunt aan haar gezicht zien dat er nog iets niet helemaal goed is. Maar ze leeft en kan haar achterstanden mogelijk versneld inhalen. Nu al kan ze de tuin uit rennen, via de stoep naar de hond van de buren. Ze weet exact welke tv-programma's ze leuk vindt en als haar oma Mary binnenkomt geeft ze haar een dikke knuffel. Ze houdt niet van fel licht, volgens haar ouders omdat ze het associeert met de lampen boven de onderzoekstafels waarop ze zo vaak heeft gelegen. En ze is niet dom. In september gaat ze naar school: een gewone openbare school, in Derry. Want als je katholiek bent, zoals María's ouders en grootouders, krijg je het officiële `Londonderry' niet over je lippen.

John (35) voelt zich een Ier, geen Brit, ook al woont hij nu in Noord-Ierland als leraar aardrijkskunde op een middelbare school in Derry. Hij ís ook een Ier, zegt zijn paspoort, want hij is geboren over de grens. Zijn vader, James (66) boert nog zo'n beetje in Carndonagh, in Donegal, het hoekje van de Ierse Republiek ten westen van Noord-Ierland. De andere boeren kennen hem bovendien als de man die hun koeien kunstmatig insemineert met stamboekzaad van Progressive Genetics, een biotechbedrijf. James is een Ier, maar Mary (60), zijn vrouw, is geboren in Derry en dus een Noord-Ierse.

De fysieke grens tussen de Ierse Republiek en de lastigste Britse `deelstaat' mag dezer dagen, dankzij het Goede Vrijdag-akkoord van 1998, bijna verdwenen zijn. Alleen aan de kleur van de kentekenplaten en de munteenheid merk je bij wijze van spreken waar je bent. Maar in het hoofd van de Devenny's lopen de twee Ierlanden al langer in elkaar over. ,,Ik ben Iers'', zegt John. ,,Punt.'' Om er met een zeer Iers grijnsje meteen aan toe te voegen dat hij de goedkope benzine aan de Ierse kant en de gratis NHS aan de Britse kant van de grens wel degelijk weet te waarderen.

Zijn moeder, Mary, kreeg pas een paspoort toen ze trouwde en herinnert zich goed de gesloten grens op het hoogtepunt van de Troubles, de eindeloze controles die bleven als het weer iets beter ging, en het smokkelen dat al die tijd een nationale hobby was. Zij komt uit een zeer republikeins nest in Derry: dat de Ierse republiek en de ,,zes provincies in het noorden'' politiek herenigd moesten worden, stond voor haar altijd als een paal boven water. Maar de eenheid afdwingen met geweld heeft ze altijd iets voor ,,the bigots'', de fanatici, gevonden.

Wat die gewapende strijd in praktijk betekent, weet ze trouwens zelf maar al te goed, sinds de IRA in 1971 de pub van haar vader in Derry opblies, omdat hij weigerde `beschermingsgeld' te betalen.

Of er op (of onder) hun Ierse identiteit ook een Europese ligt, is geen vraag waar zoon John en vader James dagelijks over nadenken. Beiden hebben geen idealistische gedachten bij een verenigd of geïntegreerd Europa. ,,Ik vind het prima dat we aan de rand liggen met water er omheen'', zegt John. ,,Ik voel niks Europees, behalve misschien in de zin dat ik meer gemeen heb met, zeg, een Nederlander dan een Braziliaan.'' Al geven ze toe dat de Ierse identiteit, die vroeger altijd verdedigd en bevochten moest worden, vooral tegenover de Britse, juist dankzij de Ierse emancipatie in Europa nu een vanzelfsprekendheid is geworden.

Toch zien John en zijn vader Europa vooral als een praktisch project, dat Ierland met de subsidies uit Brussel een nieuw wegennet heeft bezorgd en dat van arme keuterboertjes rijke en moderne agrariërs hielp maken. Het effect daarvan is hoe dan ook een revolutie. James werd geboren in een boerderij met een strodak waar een olielamp de enige verlichting was en waar gekookt werd op turf. Nu rijdt hij door de groene heuvels van Donegal met achterin zijn auto een tank supergekoelde stikstof met pijpjes stierenzaad, waarmee zijn klanten hun vee à la carte kunnen laten bevruchten door Charolais-, Limousin- of Holstein-kampioenen.

De vrouwen, Ana (32) en schoonmoeder Mary, denken minder in materiële termen over Europa. Mary is zich een stuk Europeser gaan voelen, zegt ze. Ze moest wel: een andere zoon en dochter wonen respectievelijk in Bologna en Rome en de ontmoeting met de schoonfamilies en hun culturen was een onthulling. Zoals de schok van een kerstfeest waar spaghetti op het menu stond. Of een zomerse avondwandeling over een boulevard langs de Adriatische Zee, waar duizenden jonge mensen plezier hadden, maar zonder dat ze zich daarvoor hoefden vol te gieten, de Ierse nationale ziekte.

Ana is zich én Europeser én Spaanser gaan voelen, sinds ze in 1995 voor het eerst in Noord-Ierland kwam op een Erasmus-beurs van de Europese Unie. ,,De mensen keken me toen aan alsof ik van een andere planeet kwam'', zegt ze. ,,Nu is het allemaal veel gewoner. In de supermarkten ligt nu mediterraans eten en veel Ieren zijn wel eens in Spanje of Italië met vakantie geweest; Ryanair zou een prijs moeten krijgen voor Europese integratie.''

Maar de Spaanse les die ze geeft (op een andere middelbare school dan haar man) dwingt haar om dagelijks stil te staan bij het verschil tussen haar Spaanse wortels en de Ierse werkelijkheid. Want je kunt alleen uitleggen wat siesta betekent als je erbij vertelt dat Spanjaarden 's middags een tukje doen. ,,Als er in Spanje bezoek komt, bied je ze een kop koffie aan. Die neiging heb ik nog steeds, maar hier doen ze aan het theeritueel'', lacht ze. ,,Shall I put the kettle on?''

María krijgt geen thee. Ze komt aanrennen met haar waterfles die ze voor de televisie heeft zitten leegdrinken. John tilt haar op zijn knie en zegt tegen zijn dochter in het Europees: ,,Op! Jij krijgt nieuw agua.''

Eerdere afleveringen zijn te lezen op www.nrc.nl