Het is beter een agnost te zijn dan een atheïst met zijn kop in het zand

Dat God de wereld heeft geschapen, is geen verklaring van de wereld maar een uitdrukking van verwondering over het bestaan. De atheïst kan wel doen alsof hij een antwoord heeft, maar bij doorvragen stuit hij op een horizon van niet-weten. Daarom is een agnostische houding beter.

Het scheppingsgedicht waarmee de bijbel begint, over de schepping van de wereld in zes dagen, wordt door sommigen gelezen als een beschrijving van het ontstaan van de wereld. Veel mensen menen daarom dat geloof én wetenschap met elkaar conflicteren: zes dagen of miljoenen en miljarden jaren. Maar er staat in het scheppingsgedicht bij iedere dag ook dat God zag ,,dat het goed was'', en bij de schepping van de mens zelfs ,,zeer goed''.

Conflicteert dat met de wetenschap? Op de zevende dag rustte God. Is dat een feit? Was God dan moe, zoals een vermoeide bouwvakker of kunstenaar? Of spraken ze in het oude Israël over Gods rust op die zevende dag, omdat de sabbat, de zevende dag van de week, bij hun identiteit hoorde?

In onze westerse wereld wordt het atheïsme vaak verdedigd door te laten zien dat religieuze wereldbeelden achterhaald zijn. In de wetenschap hebben we veel geleerd en afgeleerd. De aarde is niet plat. Het bijbelse scheppingsverhaal is niet houdbaar, indien het als wetenschap wordt gepresenteerd. Wetenschap sluit dus veel uit, maar levert niet het antwoord op alle vragen. We kunnen dankbaar zijn voor alle inzichten die we verworven hebben. We hoeven wetenschap niet te ontkennen, om toch te aanvaarden dat het bestaan van deze wereld een mysterie is.

Over dat mysterie, aan de grens van het kennen, hebben we geen kennis. Daarom spreek ik van: a-gnostisch, niet-wetend. Maar bij dat mysterie past wel, als mogelijkheid, verwondering en dankbaarheid. En ook zonder religie op te vatten als betrouwbare kennis, gelijkend op wetenschappelijke kennis, kan ze waardevol zijn als erfenis vol verhalen en gebruiken, waarmee we onze verbondenheid uitdrukken met de wereld, met anderen uit het verleden en met een toekomst die ons eigen leven ver te boven gaat.

Sluiten wetenschappelijke verklaringen een religieuze overtuiging uit? Nee. Laten we God nemen als de schepper van deze wereld én haar wetmatigheden. De verklaring die het KNMI geeft voor de bliksem en de hittegolf is daar niet mee in strijd, integendeel. Pas wanneer doorgevraagd wordt naar het oorspronkelijke begin van de wereld of naar de grond van de natuurwetten, komt een gelovige met een religieus antwoord als verklaring van de natuurlijke processen. Ook indien gedacht wordt aan één of meer goden die slechts af en toe ingrijpen, maar die meestal aanzien wat er gebeurt, ligt het voor gelovigen voor de hand om seculiere verklaringen te gaan zoeken en te aanvaarden. Men hoeft dus geen atheïst te zijn om naar seculiere verklaringen te zoeken. Als God gezien wordt als de oorzaak van de natuurlijke oorzaken – een klassieke theologische positie – dan zijn religieuze en wetenschappelijke verklaringen goed te combineren.

De atheïst onderschat niet alleen de mogelijkheid om natuurwetenschappelijke verklaringen binnen een religieus kader te accepteren, hij overschat ook de reikwijdte van wetenschappelijke verklaringen, alsof die alles verklaren. Onze huidige toestand wordt verklaard op basis van de toestand gisteren en de regels (natuurwetten) die de ontwikkeling beschrijven. Zelfs een `theorie van alles' ontkomt niet aan vooronderstellingen over het bestaan van een werkelijkheid. De wetenschap heeft, naar haar eigen aard, geen antwoord op de vraag: waarom is er iets en niet niets? En ook niet op de vraag waarom de wereld en de wetten zijn zoals ze zijn. Dergelijke `grensvragen' zijn qua vorm wel afhankelijk van de wetenschappen, maar worden gesteld `bij de grenzen' van de wetenschap zonder dat de wetenschap antwoord kan geven.

In 1948 debatteerden de Engelse atheïst Bertrand Russell en pater F. Copleston voor de BBC over mogelijke bewijzen voor het bestaan van God, de schepper of `eerste oorzaak' van de wereld. De atheïst Russell bestreed het spreken over God als `eerste oorzaak' met het volgende voorbeeld. Ieder mens heeft een moeder, maar daaruit volgt niet dat er iemand is die de moeder van alle mensen is. Zoals iedereen een moeder heeft, heeft iedere gebeurtenis een oorzaak. Maar spreken over `de oorzaak' van de wereld is net zo onzinnig als spreken over `de moeder' van alle mensen.

Russells argument treft niet alleen de gelovige. Het ondermijnt ook een atheistisch antwoord. Je kan als atheïst beginnen bij wetenschappelijke, natuurlijke verklaringen voor alle gebeurtenissen in de wereld (Iedereen heeft een moeder). Maar dat brengt je niet tot een natuurlijke verklaring voor de wereld (Er is een moeder van iedereen). De atheïst kan vinden dat grote vragen betekenisloos zijn; dergelijke vragen moeten we niet stellen. Maar dan wordt het verder vragen voortijdig afgekapt. Volgens Russells redenering hebben we geen bewijs voor het bestaan van een schepper, maar tegelijk leidt diezelfde redenering ertoe dat we ook geen bewijs hebben voor het bestaan van een ultieme natuurlijke oorzaak. In het BBC-debat noemt Russell zich dan ook agnost. Een gelovige kan, met Russell, erkennen dat we geen bewijs hebben over de bron van het bestaan, en in die zin agnost zijn. Dat God de wereld heeft geschapen, is geen verklaring van de wereld maar een uitdrukking van verwondering over het bestaan. De atheïst kan wel pretenderen een antwoord te hebben, maar doet niet veel anders dan de kop in het zand te steken en de vraag te ontkennen.

De natuurwetenschappen leveren belangrijke kennis over de werkelijkheid. Ieder die een geloofwaardige levensbeschouwelijke positie wil verdedigen, doet er goed aan de huidige kennis als randvoorwaarde te hanteren. Maar daarmee is nog niet gezegd dat wetenschap alle intellectuele vragen kan beantwoorden. Bij doorvragen blijkt er een horizon van niet-weten. Daarom past in dit opzicht een agnostische houding. We kennen de uiteindelijke grond van de werkelijkheid en haar wetmatigheid niet. Maar een agnostische houding betekent, wat mij betreft, niet dat alles maar kan. Er wordt veel onzin geloofd, en daarom past scepsis ten aanzien van wereldbeelden. Maar terwijl er bij de agnost speelruimte bestaat voor verschillende visies, kan de atheïst over de laatste vragen alleen maar de schouders ophalen. Een gelovige kan de vraag naar de bron van het bestaan beantwoorden door te spreken van God als schepper, maar dat is speculatie, en niet kennis over het onkenbare. Doorvragen kan ook met een pantheïstische lofrede op de werkelijkheid die zichzelf zou voortbrengen, worden afgerond. Er zijn veel mogelijke reacties en dat toont dat we het antwoord niet weten. Daarom verdient, op intellectuele gronden, een agnostische houding ten aanzien van kennispretenties de voorkeur. Waarbij er wel ruimte is voor verwondering over het bestaan, voor dankbaarheid, voor beleving van afhankelijkheid van een grond die ons voorafgaat. Kortom, de agnostische houding kan goed samengaan met een religieus levensgevoel.

Er zijn ook morele argumenten vóór atheïsme. Indien iemand met een beroep op God zijn volgelingen aanspoort tot moord of zelfmoord, dan beschouwen we die persoon als een misdadiger. Ook de goden staan niet boven de wet. Beter gezegd, voor ieder beroep op de wil van de goden is een mens verantwoordelijk. Veel religieuze geboden zijn gedateerd. Ze waren misschien nuttig voor nomaden uit de Steentijd of voor premoderne samenlevingen, maar niet voor ons. Gehoorzaamheid afdwingen door te dreigen met hellevuur, is niet moreel maar eng sektarisch gedrag. Wie deze uitgangspunten deelt, kan niet aanvaarden dat de bijbel, of welk `heilig geschrift' dan ook, normatief is. Misschien staat er wel iets in wat verstandig is, maar dan is het aan ons om te besluiten ons zo te gedragen, omdat wij dat verstandig vinden. De verantwoordelijkheid voor morele keuzes is geheel de onze.

Leidt de moderne morele zelfstandigheid werkelijk tot atheïsme, tot de ontkenning dat God bestaat? Of dat God iets met moraal te maken heeft? Gezag van traditie, kerk of boek behoeft onze erkenning en gaat daar niet aan vooraf. Maar dit inzicht betekent niet per se dat er geen hoogste goed is, geen normatieve grond van het bestaan. Het kan zijn dat we in onze moraal steeds beter benaderen hoe de werkelijkheid is bedoeld, zoals we in onze wetenschap steeds beter ontdekken hoe de werkelijkheid in elkaar steekt.

Morele zelfstandigheid betekent ook niet dat tradities zinloos zijn. Maar een traditie kan echter wel gezien worden als uitdrukking van de waarden die we waarderen. Meestal zijn we, binnen een traditie, selectief. Zo voel ik mij aangesproken door suggesties over naastenliefde en vergeving uit de christelijke traditie, en zal ik daarom de verhalen over de barmhartige Samaritaan en de verloren zoon zinvol noemen, maar de uitspraken over een voorgenomen of uitgevoerde kindermoord (door Abraham en door Jefta) niet. Omgang met de traditie als een erfenis betekent niet dat het geheel als één massief blok moet worden aanvaard of verworpen.

Integendeel, in een levende traditie zal iedere generatie ervaringen opdoen door te luisteren naar de verhalen, maar ook kritische discussies voeren, morele aanwijzingen confronteren met eigen morele intuïties, en de erfenis met beproefde wijsheid op weer andere wijze doorgeven.

Ook in moreel opzicht zouden we agnostisch moeten zijn, in die zin dat het ons mensen niet gegeven is om moraal uit heilige geschriften af te leiden. We zijn maar mensen. Maar dat sluit niet uit dat er over moraal zinvol te spreken valt én dat religies, verstandig gebruikt, waardevol kunnen zijn om ons te motiveren en te inspireren. Mensen zijn zelf verantwoordelijk voor dat wat zij als kennis en moraal beschouwen. Maar dat sluit niet uit dat er ook ruimte is om gebruik te maken van de religieuze tradities, omdat daarin wel degelijk iets waars en waardevols aan de orde zou kunnen zijn.

Onlangs verscheen een herdruk van het AtheÏstisch Manifest van de filosoof Herman Philipse. Hierin schrijft hij als argument tegen de agnostische positie: ,,Door niet te kiezen tussen geloof of atheïsme, laat de agnost zijn levenshouding op een wezenlijk punt onbepaald.'' Dat is waar. Maar is dat erg? Is het erger dan een keuze voor atheïsme uit angst voor onzekerheid? Angst lijkt me, ook voor de atheïst, een slechte raadgever. Indien we onze menselijke situatie aanvaarden, hoeven we onze beperkingen toch niet te ontkennen door zekerheid te poneren waar bescheidenheid past?

Hoogleraar Godsdienstwijsbegeerte en Ethiek aan de Universiteit Leiden.

Hij geeft les in Wereldgodsdiensten en Godgeleerdheid en publiceerde

o.a. Creation: From Nothing until Now (Routledge, 2002)