Dvorak

Hoewel Antonín Dvorák (1841-1904) zeker niet in de eerste plaats bekendstaat als liedcomponist, voltooide hij bijna honderd liederen. Daarin grijpt hij hoorbaar terug op de verworvenheden van de Duitse romantische liedkunst.

Soms klinkt een kabbelend beekje volgens Dvorák even net als een spinnewiel volgens Schubert, maar nog veel groter is hier de invloed van de Tsjechische volksmuziek – hetgeen vanuit de toenmalige tijdgeest met het opkomend Tsjechisch nationalisme geen verwondering wekt.

Maar Dvorák begon met het componeren van liederen niet vanuit politieke idealen, maar doodgewoon door zijn gevoelens over een (onbeantwoorde) verliefdheid op zijn pianoleerlinge Josefina Cermáková. Inderdaad zijn zijn Písne Milostné (Liefdesliederen) vol van jeugdig onbedorven liefdeslyriek en -verlangen. Maar ook in natuurevocaties betoont Dvorak zich in zijn liedkunst een meester, zoals blijkt in de drie liederen uit het Dvur Králove Manuscript.

De Argentijnse mezzo-sopraan Bernarda Fink heeft zelf slavische wortels, en benadert Dvoraks Tsjechische klankwereld met hoorbare affiniteit. Daarenboven beschikt zij, subtiel begeleid door te nergens te nadrukkelijke en nergens te onnadrukkelijke pianist Roger Vignoles, over een van laag tot hoog egaal warme, rondborstige stem. In die stem komt de in veel van deze liederen ingebakken melancholie optimaal tot uitdrukking.

Bernarda Fink (mezzo) en Roger Vignoles (piano), Dvorák-liederen (HMC 901824)