De zetel, de macht, de stem en het gezag

Nederlanders oefenen relatief veel macht uit in het Europees Parlement,doordat ze er vrijwel altijd zijn en stemmen als er gestemd moet worden. Maar de andere landen doen dat ook steeds vaker en de verschillen werden de afgelopen vijf jaar kleiner.

Al voor de uitbreiding begin deze maand was het Europees Parlement een van de grootste in zijn soort. Opgericht in 1979, is het nu al veertig procent groter dan het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden. Na de verkiezingen is dat bijna zeventig procent. De verschillen tussen de 626 europarlementariërs zijn bovendien aanzienlijk groter dan tussen de leden van nationale parlementen: ze bedienen zich van ten minste elf verschillende moedertalen en zijn afkomstig uit vijftien verschillende nationale politieke culturen. Heel bijzonder voor een parlement is dat de leden overal weer anders worden gekozen – in Nederland volgens evenredige vertegenwoordiging, in het Verenigd Koninkrijk volgens een puur districtenstelsel bijvoorbeeld.

Voor de een is het lidmaatschap een opstapje naar een politieke carrière, de ander sluit er zijn loopbaan mee af. Voor sommigen is het een fulltime baan, anderen doen het erbij, naast hun baan als burgemeester of parlementariër in eigen land. De vraag is of en in welke mate zulke verschillen tot uiting komen in de macht die europarlementariërs uitoefenen.

Macht is een kwestie van je zin doordrukken en schuilt in een parlement daarom in het getal. Dit in tegenstelling tot invloed of gezag dat meer gebaseerd is op kennis van zaken en reputatie. Grote fracties hebben per definitie meer macht dan kleine; grote landen – die over meer zetels beschikken – meer dan kleine. Tenminste, als alle leden de vergadering bijwonen en deelnemen aan de stemming. Vóór of tegen, dat is de vraag.

Het is de afgelopen tien jaar nooit voorgekomen dat alle leden van het parlement kwamen opdagen. NRC Handelsblad onderzocht de presentielijsten van het parlement van alle 314 plenaire vergaderingen van de afgelopen zittingsperiode (1999-2004) en ging alle hoofdelijke stemmingen na. Door de verschillen in politieke achtergrond – ook binnen fracties – wordt in het Europees Parlement veel vaker hoofdelijk gestemd dan bijvoorbeeld in de Tweede Kamer. De afgelopen zittingsperiode kende 6.118 hoofdelijke stemmingen, een nieuw record.

Een compleet parlement is dus nooit voorgekomen in deze zittingsperiode, een bijna leeg parlement wel. Acht keer is er vergaderd met minder dan tweehonderd leden. Let wel, dat zijn dan de leden die de presentielijst hebben getekend en dus op enig moment aanwezig waren. Dat wil nog niet zeggen dat ze ook meedoen aan beraadslagingen of zelfs maar hun stem uitbrengen. Bij 249 stemmingen werden minder dan tweehonderd stemmen uitgebracht, bij 61 zelfs minder dan honderd. Op 14 april 2000 stemden 48 leden, onder wie vier Nederlanders, over een resolutie: 25 stemmen was in beginsel genoeg voor een meerderheid in Europa.

Aanwezigheid en deelname aan stemmingen zijn niet evenredig verdeeld over de parlementariërs. Sommigen zijn er vaker dan anderen. De Franse socialist Gérard Caudron en de Franse conservatief Christine De Veyrac waren als enigen op elke plenaire vergadering aanwezig. Van de 712 personen die de afgelopen zittingsperiode een van de 626 zetels hebben bezet, waren er 195 die op meer dan negentig procent van de vergaderingen die ze kónden bijwonen daadwerkelijk aanwezig waren; 259 waren tussen de tachtig en de negentig procent van de vergaderingen aanwezig. Van degenen die de hele periode lid waren – en dus 314 vergaderingen hadden kunnen bijwonen – vormt Berlusconi's partijgenoot Dell'Utri het andere uiterste: hij kwam 52 keer opdagen. De lijst van parlementariërs die er bijna nooit waren wordt gedomineerd door Italianen, zeven in de top-tien. Overigens ontvangen de Italianen wel de hoogste vergoeding voor hun positie als lid van het Europees Parlement: 10.974 euro per maand.

Nederlandse europarlementariërs wonen vaak vergaderingen bij. In de top-honderd van afwezigen staat geen enkele Nederlander. Gemiddeld waren de Nederlanders op 87 procent van de vergaderingen aanwezig, waarmee ze slechts de Luxemburgers, de Finnen en de Oostenrijkers voor zich hoeven dulden. De Italianen daarentegen zijn gemiddeld slechts op 66 procent van de vergaderingen aanwezig, ruim achter de Fransen met 78 procent.

Als het op stemmen aankomt, worden de verschillen nog groter, zowel tussen individuele leden als tussen landen. De trouwste stemmer is de Franse conservatief Françoise Grossetête, die bij 6.025 van de 6.118 hoofdelijke stemmingen daadwerkelijk haar stem uitbracht, ruim 98 procent. Dat percentage wordt nog iets overtroffen door de Spaanse conservatief Carmen Fraga Esteves, maar zij was maar tweeënhalf jaar lid en nam in die tijd aan ruim 98,5 procent van de stemmingen deel. In de stemmingentop-honderd staan maar liefst negen Nederlanders, met Hans Blokland en Rijk van Dam van ChristenUnie/SGP beiden in de top-tien met ruim 96 procent deelname.

Gemiddeld halen de Nederlanders de 85 procent, en dat is op de Luxemburgers na het hoogste van allemaal. De Oostenrijkers en de Finnen zijn weliswaar meer aanwezig dan de Nederlanders, maar ze stemmen minder (bij hoofdelijke stemmingen). De Italianen vormen het andere uiteinde van het spectrum, met nog geen 57 procent uitgebrachte stemmen. Ook de Ieren, de Portugezen en de Fransen blijven steken onder de 75 procent.

Nederland heeft daarmee verhoudingsgewijs veel stemmacht in het Europees Parlement. Die macht kun je uitdrukken in virtuele zetels. Het parlement telde 626 zetels, maar als niet iedereen stemt, worden die niet allemaal benut. Als de niet benutte zetels worden herverdeeld naar uitgebrachte stemmen, heeft Nederland er de afgelopen vijf jaar vier extra gehad – 35 in plaats van 31. Alleen Duitsland sleepte door zijn absolute omvang en bovengemiddelde aanwezigheid nóg meer bonuszetels in de wacht: tien. Die zetels worden voornamelijk op de Italianen veroverd. Zij benutten maar 66 van hun 87 zetels bij stemmingen.

Die vier extra zetels op de 31 vormt het machtssurplus van Nederland in het Europees Parlement, 13 procent, op Luxemburg na het hoogste van allemaal. Finland en Duitsland volgen met twaalf en tien procent. Italië scoort min 24 procent.

In de vorige zittingsperiode (1994-1999), toen deze krant dit onderzoek voor het eerst uitvoerde, stond Nederland helemaal bovenaan met een machtssurplus van 25 procent, Duitsland en België volgden met 20, de Finnen deden nog niet zo van zich spreken. De Italianen bleven toen steken op min 35 procent. Anders gezegd: ze benutten maar 56 van hun 87 zetels.

Al met al zijn de verschillen tussen de landen in de afgelopen zittingsperiode dus aanzienlijk kleiner dan in de vijf jaar daarvoor. Aanvankelijk namen vooral de Nederlanders het Europees Parlement serieus en konden ze daardoor onevenredig veel macht uitoefenen. Maar gestaag begint europarlementariër in alle landen een echt vak te worden. Het Europees Parlement wordt Europeser, en het zijn vooral Nederland en Duitsland die daardoor hun surplus aan stemmacht moeten inleveren.