De kunstwereld moet ophouden een naar binnen gericht, autistisch geheel te zijn

Het polemisch verbond van kunstprofessionals en moderne kunstdeskundigen heeft zich mijlenver verwijderd van de argeloze kunstliefhebber.

Telkens wanneer de overheid spreekt over kunstbeleid, valt op dat zowel het rijk, de gemeente als de daaraan rapporterende adviseurs spreken over hét kunstbeleid. Natuurlijk, het rijk en de lagere overheden zijn belangrijke financiers en daarmee een richtinggevende factor voor het Nederlandse kunstbeleid, maar de overheid is niet meer de enige die bepaalt hoe de Nederlandse kunstwereld functioneert.

Zo zijn de recent gepubliceerde adviezen over `hét kunstbeleid' wederom eenkennig geformuleerd en gaan ze voorbij aan de veranderende positie van de subsidiërende overheid zelf. Grote gevestigde fondsen, zoals het VSB fonds, het Prins Bernhard Cultuurfonds, Fonds 1818, en nieuwe fondsen, als de VandenEnde Foundation of de Stichting Van Leeuwen Van Lignac, vormen inmiddels een substantiële ondersteuning die op zorgvuldig gekozen wijze de kunstwereld ondersteunen.

Verder is er de afgelopen jaren een ware hausse aan lokale, kleinschaliger en zeer specifieke fondsen en stichtingen ontstaan. Werden deze vanouds door plaatselijke notabelen uit generositeit of burgerzin gerund, inmiddels beschikken zij over professionele medewerkers en bestuursleden die weten wat ze willen. Deze fondsen geven vaak exact aan hoe ze eigen middelen van een instelling en overheidssubsidies kunnen aanvullen en versterken.

Wie de adviezen van de Raad voor Cultuur, de Rotterdamse Kunststichting of de Amsterdamse Kunstraad doorleest, valt op dat deze ontwikkeling nauwelijks wordt onderkend. Over de relatie van de overheid en het zich sterk ontwikkelende particulier initiatief en de rol die fondsen hierin kunnen spelen, bestaan nagenoeg geen ideeën. Onduidelijk is of de overheid een sturende rol wil blijven spelen of dat zij zich voortaan opstelt als stimulator.

Kunstinstellingen als musea zijn van oorsprong verliesgevend en het mag een wonder heten dat de maatschappij dat eeuwenlang heeft getrotseerd. Nu de subsidiërende overheid aangeeft niet langer alleen verantwoordelijk te willen zijn, en mogelijkerwijs een demografisch bepaalde geldstroom van particulieren zich aandient, komt het er meer dan voorheen op aan duidelijkheid te scheppen.

Musea bijvoorbeeld moeten nu meer dan ooit hun bestaansrecht aangeven. Het aantrekkelijk presenteren van tentoonstellingen, evenals beheer en behoud en het jarenlang restaureren van een uniek erfstuk horen daar bij. Het ene is sexy, het andere niet. Kinderen en allochtonen hebben vooralsnog een grote earning capacity, maar een degelijk overzicht van een weinig bekende kunstenaar is lastiger te financieren. Bestuurders dienen zich dit te realiseren, maar het museum zelf de keuze gunnen prioriteiten aan te geven.

De kunstwereld vormt een tamelijk naar binnen gericht, haast autistisch geheel dat krampachtig reageert op buitenstaanders of nieuwkomers. Zo wordt de maatschappelijke elite, financieel geslaagd, maar minder zeker in de wereld van de kunst, regelmatig onheus bejegend. Geniet men massaal van Breitner, Vivaldi of impressionisten? Dat is plooirokkenkunst, in de ogen van de gezagdragers in de kunstwereld. Stichters, schenkers en sponsors wordt zo schrik aangejaagd. De particulier met de vaak behoudende smaak is in het vaststellen van het kunstbeleid naar de achtergrond verdwenen.

Het verwaarlozen van traditionele netwerken, het verambtelijken van de giftrelatie en het formaliseren van allerlei regelgeving heeft met name de kunstmusea in een isolement gebracht. Goedwillende particuliere schenkers worden meewarig bejegend, `burgerzin' wordt niet automatisch gewaardeerd en past niet meer in onze tijd.

Tegen deze achtergrond is het niet verwonderlijk wanneer publieke persoonlijkheden zoals Abraham van Leeuwen (Prins van Lignac) of Joop van den Ende op eigen initiatief een onafhankelijk fonds stichten.

Het is opvallend hoezeer de gesubsidieerde sector zich heeft laten meevoeren door de politieke modes. De overheid lijkt een betrouwbare geldgever, maar heeft de kunstwereld met haar subsidie-infuus volledig van haar afhankelijk gemaakt. Wanneer het goed gaat, wordt er in de kunsten zelden geïnvesteerd. Pas als het slecht gaat, wordt er over investeren nagedacht. Deze paradox is kenmerkend voor de gesubsidieerde sector. Bovendien wordt van de culturele wereld steeds meer verwacht. Zo moeten musea ook een rol spelen in city marketing, sociale integratie, inburgering en educatie, zonder dat daarbij extra geld beschikbaar komt. Het museum dient vele belangen, pas op de laatste plaats die van de kunst en het publiek. Voor wie de cultuurpolitieke thema's van de afgelopen jaren heeft gevolgd, is dat niets nieuws. De kunstsector wordt telkens opnieuw achter veranderende, soms zelfs tegenstrijdige, doelen gejaagd: het ene moment gaat het om internationaliseren (`de wereld in'), een volgend moment staan alle troeven op participatie (`de wijk in').

Vanuit de kunstwereld komen ondertussen nota's die de geldverstrekkende overheid gunstig moeten stemmen: `Het museum als school' of `Het museum als vliegend tapijt', heet het dan.

De overheid moet, meer dan voorheen, aangeven wat haar deel is. De discussie die nu gevoerd wordt over de kunstenplannen in de grote steden en het rijk, is daarbij niet erg bevorderlijk. Om het rendement uit de verschillende geldstromen te optimaliseren, is afstemming gewenst.

Directeur van de Kunsthal in Rotterdam