Zingen als een lyrische ljurk

Hochmenneke, Lêts, Lieferink, Lorts, Parachutevogeltje, Stijgleeuwerik, Ljurk– allemaal namen voor het iele ochtendzangertje dat als bode van de lente sinds 23 februari j.l. weer boven de Friese weilanden wordt gehoord. Het gaat echter slecht met deze weidevogel. Zonde. `Zijn loktoon,' zo meldt de onvolprezen A.E. Brehm in zijn Het leven der dieren (1869), `is een aangenaam klinkend gerr of gerrel, waaraan de schel gefloten klank triet of tie wordt toegevoegd. Bij het nest zittend roept hij luid trietrie, als hij boos is op ratelende wijze sjerrerererr. Zijn algemeen bekend gezang verlevendigt dan de akkers en de weiden in vlakke en heuvelachtige gewesten op hartverheffende wijze.'

Hoe bijzonder de reputatie van de leeuwerik is bewijst Ton Lemaire in zijn `cultuurgeschiedenis van een lyrische vogel' De leeuwerik. Filosoof/antropoloog Lemaire toonde in eerder werk aan hoe breed hij de dingen ziet: in zijn beroemd geworden Filosofie van het landschap (1970), in Over de waarde van kulturen (1976) en zijn standaardwerk over de vliegenzwam Godenspijs of duivelsbrood (1995). Hij werkt momenteel aan een groot boek over de `culturele representatie van vogels'. De leeuwerik is een van de hoofdstukken uit dat boek en biedt alvast veel moois.

We hebben te maken met een inventarisatie van de leeuwerik in literatuur en volksverbeelding en De leeuwerik vertoont op veel plaatsen dan ook het karakter van een bloemlezing. We lezen leeuwerik-passages uit het werk van de H. Franciscus, Shelley, Eichendorff, Gezelle, Bachelard en vernemen over identieke passages bij componisten als Haydn, Schubert, Brahms of Messiaen. Schilders blijken minder te hebben met het inderdaad nogal onooglijk zangertje. Een van de zeldzame leeuwerik-doeken is Van Goghs Korenveld met leeuwerik – het siert het omslag van Lemaires boek.

Waar staat de leeuwerik voor, wat representeert hij in cultureel opzicht? In de eerste plaats is hij `bode van de dag' (Chaucer), hij `wekt de ochtend' (Shakespeare), staat voor begin, licht, levensvreugde en is in die zin de antipode van de nachtegaal, de gevederde diva die verlangen, klacht, begeerte en voltrekking uitdrukt, een tegenstelling die onder meer in Shakespears Romeo en Julia voorkomt. Er zijn onmiskenbare christenen onder de leeuweriken. Hij dient en dankt de Here met zijn lied, aldus een onbekende Nederlandse dichter uit de veertiende eeuw. De zeventiende-eeuwse dominee/dichter Stalpart van der Wiele zegt dat de leeuwerik, `met tonen zoet, de Schepper van de licht viert'. Zingen voor God: liedbundels heetten niet voor niets Evangelische Leeuwerck (1667) of La pieuse alouette avec son tirelire (1619). In de uitgesproken populariteit van de leeuwerik onder Britten vermoedt Lemaire Keltische (en dus heidense) wortels. Ook het regionale verbod op het wijzen naar een stijgende leeuwerik, of het met het oog op stemgeluid en spraakvermogen eten van eieren en tong van de leeuwerik wijst op volksgeloof, ouder dan het christendom.

Ton Lemaires De leeuwerik is een rijke, erudiete, kleine maar fijne cultuurgeschiedenis. Het laat maar weer eens zien dat welk onderwerp dan ook tot grootse vergezichten kan leiden, van de schitterende poëzie van dichters als Gezelle of Shelley tot en met God zelve. Ik licht mijn hoed voor Lemaire. Zijn boekje zingt zelf, als een ljurk.

Ton Lemaire: De leeuwerik. Cultuurgeschiedenis van een lyrische vogel. Ambo, 123 blz. €14,95