Zie mij snikken

Achter iedere welgemeende zelfonthulling gaat weer een nieuwe pose schuil. Dat is het tragische lot van de mens. Maar de auteur van een nieuw boek over de onontkoombaarheid van gesjoemel, vindt het vooral amusant.

Echte tranen? In de roman L'Innocente van Gabriele D'Annunzio heeft de verteller een vrouw die hij eindeloos bedriegt en kleineert. Na weer een affaire die uitlekt, dreigt zijn echtgenote weg te zinken in een fatale depressie. De man wordt tijdelijk geplaagd door wroeging en wil zijn vrouw om vergiffenis vragen. Hij loopt haar donkere slaapkamer binnen, waar ze ligt weg te kwijnen, pakt haar hand vast en stort zijn hart uit. Hij smeekt om vergiffenis, een allerlaatste kans. Hij wordt zo emotioneel dat de tranen in zijn ogen opwellen en langs zijn wangen stromen – en op dat moment is hij ook heel blij en dankbaar, want als zijn vrouw nu zijn tranen ziet, zal ze vast overtuigd raken van de echtheid van zijn verdriet. Ziet ze ze wel? Moet hij zijn gezicht dichter bij haar brengen? Zijn emotie is even echt als zijn berekening.

Nog meer tranen: heel wat jaren geleden nam ik een nieuwe geliefde mee naar de bioscoop om The Dead van John Huston te zien. Het gelijknamige verhaal van James Joyce vind ik, zoals zoveel mensen, een van de mooiste korte verhalen ooit geschreven. Bij de beroemde eerste regel van de slotalinea (`Yes, the newspapers were right: snow was general all over Ireland') krijg ik tranen in mijn ogen, ook omdat het me doet denken aan een gestorven vriend die deze passage uit zijn hoofd kende.

In de bioscoop was ik er dan ook helemaal klaar voor. De verfilming was nauwgezet – een beetje te, misschien wel – en toen het moment eenmaal daar was en de magische woorden in voice-over door het personage Gabriel werden gesproken, voelde ik de eerste snik al opkomen. Uit mijn ooghoek zag ik hoe mijn nieuwe geliefde in het donker naar mij keek, een beetje verbaasd, en op dat moment betrapte ik mezelf op het spelen van mijn emotie. Niet helemaal, natuurlijk. Ik was ook werkelijk ontroerd, ik vond het echt aangrijpend, maar waarom?

Door de herkenning van een favoriete passage, door de herinnering aan de emoties die ik eerder bij het lezen van Joyce's verhaal had gevoeld, door de herinnering aan mijn gestorven vriend – of door de verwachting van mijn eigen vervoering? Wilde ik indruk maken met mijn gevoeligheid op degene die naast me zat? Oók – ik zou het, net als D'Annunzio's verdorven personage, vervelend hebben gevonden als hij mijn gevoelige tranen niet gezien zou hebben. Tegelijk hoopte ik dat hij net zo geroerd zou zijn als ik, dat hij de slotalinea van `The Dead' net zo mooi zou vinden als ik – het was dus ook nog eens een beetje een test. Als hij totaal ongevoelig zou blijven voor Gabriels slotmonoloog over de sneeuw die de doden met de levenden verbindt, hoe moest het dan verder met ons? Ik zat te huilen in de bioscoop en tegelijk zat ik vanaf verschillende gezichtspunten naar mijzelf te kijken.

Kun je emoties oprecht voelen, wanneer die deels geposeerd zijn? In de persoonlijke studie Faking It van de Amerikaanse hoogleraar in de rechten William Ian Miller komen ook heel wat geposeerde echte tranen voor – de amusantste zijn die, die hij zich als schooljongen verplicht voelde te vergieten, om mee te kunnen komen met zijn vriendjes. Een van hen had opgebiecht dat hij na een ruzie met zijn vriendin spontaan in snikken was uitgebarsten – wat Miller zelf helemaal niet cool vond; jongens huilden niet ten overstaan van hun vriendin. Maar een voor een begonnen zijn schoolvrienden in de weken daarna hetzelfde op te biechten, stuk voor stuk waren ze na een ruzie gaan huilen waar hun vriendin bij was. Miller dreigde de buitenstaander te worden, hij voelde zich verplicht met net zo'n ervaring bij zijn vrienden aan te komen, zoals een hond een bot naar zijn baasje brengt. Hij zocht ruzie met zijn vriendin, maar de tranen wilde niet komen, waardoor hij zich vreselijk begon te schamen.

Schaamte, daar is Miller heel goed in – net als in gêne, spijt, wroeging, verlegenheid, faalangst en al die andere emoties die worden veroorzaakt door het gevoel dat je een rol speelt in de samenleving, een rol waarin je volgens jezelf meestal hopeloos tekortschiet. Millers faking staat gelijk aan performing, het gevoel dat je op momenten die ertoe doen niet helemaal oprecht bent, de stem in je hoofd die je voor oplichter uitmaakt terwijl je zo je best aan het doen bent om oprecht te voelen – echt te bidden, echt mee te voelen met het verlies van een ander, echt te rouwen, een mooi kunstwerk echt te bewonderen, echt spijt te hebben van iets wat je een ander hebt aangedaan. Zijn boek gaat vooral over die eeuwige stem in je hoofd, het gevoel dat je altijd tekort schiet ten opzichte van je intenties, die knagende gewaarwording dat je met je emoties aan het sjoemelen bent om sociaal mee te kunnen komen. Zeldzaam zijn de momenten dat je de stem in je hoofd zwijgt, dat je echt samen valt met wat je voelt of geacht wordt te voelen.

Millers boek is dus vooral een boek over overbewustzijn. En het is ook een overbewust boek. Als hij geen essayistische studies schrijft over walging (The Anatomy of Disgust, 1997) of moed (The mystery of Courage, 2000) is Miller een joods-Amerikaanse Professor of Law aan de University of Michigan Law School – en dat zullen we weten ook. Hij is, of beter: hij presenteert zichzelf in zijn autobiografische voorbeelden als een kruising tussen een typisch Bellowiaanse neurotische intellectueel en een van Roths al te menselijke professoren, geobsedeerd door het strakke bloesje van een van zijn studentes en de angst om zich naar het schoolbord te keren, omdat ze dan zijn kalende kruin kan zien.

Zijn toon is die van de meewarige man van middelbare leeftijd die weet wat voor sjoemelaar hij meestal is, hoe zijn leven geregeerd wordt door kleine ijdelheden en hopeloos zelfbedrog – maar ook weet dat daar heel goed mee te leven valt, en dat hij zelf, hoewel geen haar beter dan zijn medemens, heus zo kwaad nog niet is. Hij maakt overbewuste grapjes ten koste van zichzelf (omdat hij zo vaak oeverloos wordt en over fenomenen schrijft die niks met het onderwerp van zijn boek te maken heeft, grapt hij over zichzelf als een `meandering Jew') en als hij zich ineens kwaad maakt, zoals in een lange, nogal onbegrijpelijke passage over het antisemitisme dat hemzelf en zijn gezin tot een object van haat maakt, haast hij zichzelf bij de lezer te quasi-verontschuldigen over zijn atypische woede en ernst, en gooit hij er meteen nog wat relativerende woordspelingen tegenaan. Hij meende het, maar we moeten het ook weer niet te serieus nemen.

Ook zijn boek is een performance, natuurlijk, en Miller is de eerste die dat toegeeft. Hij is altijd de eerste om iets toe te geven.

Het is die montere toon die gaandeweg onverdraaglijk wordt; zo ongeveer om de alinea krijg je van de professor een keiharde klap op je schouder. Dat je doorleest, is te danken aan het enige dat werkelijk authentiek aan Miller overkomt: zijn oprechte overtuiging dat hijzelf een fake-figuur is. Het onderwerp van Faking It zit hem dan ook als gegoten; Miller is zich als geen ander bewust dat achter iedere welgemeende zelfonthulling weer een nieuwe pose schuilgaat. Hij is zich er van bewust dat zelfs naaktheid een pose kan zijn, en hij hoont mannen die 's avonds naakt hun bed in duiken. Aanstellers! Hijzelf is zich veel te bewust van het verval van zijn lichaam om zonder pyjama te slapen, maar hij voelt zich daardoor ook wel weer een beetje een angsthaas. Het is altijd wat.

Het is het soort zelfspot waarmee oudere mannen jonge meisjes in bed proberen te krijgen. Arme rechtenstudentes in Michigan.

Faking It is dus geen aanklacht. Miller is weliswaar een overtuigde moralist, maar een van het soort dat het streven van de mens om goed en fatsoenlijk te zijn al heel wat vindt; falen is niet alleen menselijk, het maakt vooral menselijk. Hij is mild over wat ik maar het kleine faken zal noemen, de kleine onoprechtheden waartoe we bijna automatisch vervallen in het dagelijkse sociale verkeer. We bieden verontschuldigingen aan voor dingen waar we geen spijt van hebben, we smokkelen bij het voorlezen van het Hebreeuws in de synagoge, we zeggen bij iedere nieuwe baby dat we hem mooi vinden (waardoor je gaat stotteren wanneer je een baby eens echt mooi vindt, omdat je jezelf dezelfde vertederde dingen hoort zeggen die je meestal niet meent), we vragen belangstellend naar iemand beroep en hobby's, terwijl we alleen maar willen neuken (een woord dat de professor nauwelijks uit zijn pen krijgt, omdat hij het van misplaatste stoerheid vindt getuigen, zoals bij die mannen die naakt slapen; maar aan de andere kant, zijn die drie sterretjes in f*** ook niet een beetje aanstellerig, gefakete preutsheid?), bij een mooi uitzicht of een groots monument vragen we ons angstig af of we wel lang genoeg naar gekeken hebben en wanneer we in de museumwinkel een ansichtkaart hebben gekocht van het beroemde kunstwerk waar we daarnet nog voor stonden, voelen we ons veel meer op ons gemak. En meen je het wel echt wanneer je tegen iemand zegt dat je van hem houdt – en wat bedoel je daar dan precies mee?

Miller heeft het antwoord niet op zulke vragen, zijn boek is bedoeld om te laten zien hoe ingewikkeld de dingen worden wanneer ons eigen idee over onszelf, ons gevoel van persoonlijkheid, met de buitenwereld in aanraking komt. De filosofische implicaties van dat aanhoudende ongemak onderzoekt hij nauwelijks, hij wil de lezer vooral een onverwacht feest der herkenning voorschotelen, een soort psychologische surprise-party. Dat het dagelijkse leven niet eenvoudig is, we wisten het – maar dat zelfs de meest alledaagse transacties met zoveel psychologisch onbehagen gepaard zou gaan, wie had dat gedacht? De radicale oplossingen die mensen bedenken om een einde te maken aan dat voortdurende gevoel van tekortschieten – een heilig geloof in zuiverheid, religieus fundamentalisme, de neiging om één enkele waarheid aan te hangen waar je voor de rest van leven kunt samenvallen – laat Miller aan onze verbeelding over. Het moet wel gezellig blijven.

Dat is toch wel jammer, want al die breed uitgemeten voorbeelden van situaties waarin we onwillekeurig een pose aannemen, uit angst, uit verlegenheid of onzekerheid, uit goedwillendheid of uit kwaadaardigheid, illustreren wel degelijk een gevoel van vervreemding dat even fundamenteel als tragisch is. `We are stuck with faking it,' schrijft Miller terecht – zelfs als we alle schijn en uiterlijk vertoon afleggen en zogenaamd ons ware ik aan de wereld tonen, blijken we opnieuw een rol te spelen. Achter ieder masker – enzovoort. Zelfbedrog is onuitputtelijk. Ook de maatschappelijke emancipatiebewegingen, die erop uit zijn iedereen zichzelf te kunnen laten zijn, maken geen einde aan het rollenspel en de pose – en daar heeft de professor opnieuw een punt. Een homo die uit de kast is gekomen, heeft de pose niet afgezworen, net als een zwarte die zich aan het door blanken oplegde stereotype heeft ontworsteld. Het is, zegt hij, domweg onmogelijk om jezelf te zijn. We zijn overal en altijd bedrieger of bedrogene. Hamlet is een held.

Maar Miller wordt daar vrolijk van – een beetje weemoedig ook wel, alleen boos wanneer dat smerige antisemitisme de kop opsteekt, maar toch vooral vrolijk. Al dat faken en performen maakt nu eenmaal deel uit van die kermis der ijdelheden die het leven is. Kop op. De tragische dimensie van het menselijke onvermogen om werkelijk in zichzelf te kunnen geloven, en de verleiding om een einde te maken aan alle zelftwijfel door te vluchten in eenduidigheid, wordt door hem domweg genegeerd, omdat het niet in zijn humanistische straatje past.

En dat terwijl hij wel oog heeft voor de neiging van mensen om te worden wat ze acteren. Als je maar lang genoeg vindt dat je verdrietig moet zijn, komen de tranen vanzelf wel. De wereld is vol mensen die weigeren te erkennen dat ze niet geheel en al samenvallen met hun pose en gespeelde overtuiging; iedere suggestie dat ze een rol spelen, dat hun verhouding tot de werkelijkheid oneindig veel gecompliceerder is dan ze doen voorkomen, wordt als een belediging ervaren. Een hang naar scepsis en zelfonderzoek geldt als teken van zwakheid. Hoewel onze zo heftig beleden betrokkenheid bij de wereld bij uitstek gespeeld lijkt (de slachtoffers van zinloos geweld, de gifgasdoden van Saddam Hussein, de gemartelde Irakezen in Amerikaanse gevangenschap; ons medeleven is uiterst selectief en meestal zuiver en alleen bedoeld om onszelf een podium te verschaffen: we vinden het erg, maar de wereld moet wel zien hoe erg we het vinden), wordt iedere kanttekening bij dat gratuite engagement als een respectloze aanval op onze integriteit gezien.

Dit is geen tijd voor relativeringen, en Faking It is een uiterst relativerend boek. Dat zou dus een verdienste moeten zijn. Maar Miller met zijn zelfgenoegzame ironie, die zelfverheerlijking vermomd als nietsontziende zelfspot, met zijn valse charme en humoristisch gebrachte Amerikaanse eigenwaan en koket uitgespeelde schlemieligheid, verplicht tot niets. Hij wil alleen maar behagen, ons onze schouders laten ophalen over onszelf.

William Ian Miller: Faking It. Cambridge University Press, 290 blz. €40,65