Vader legt graag Russen om

De vader van Wibke Bruhns was een nazi die in 1944 werd geëxecuteerd nadat hij had samengezworen tegen de Führer. Zij was toen zes jaar. Een halve eeuw later probeert zij iets van deze man te begrijpen.

De herinnering is het toneel van het verleden, schreef Walter Benjamin. Wat daar wordt opgevoerd heeft vooral te maken met emoties, die vaak worden gestuurd door de urgentie van de actualiteit. De collectieve herinnering aan de Tweede Wereldoorlog heeft in Duitsland lange tijd in het teken gestaan van boetedoening en schaamte over het leed dat joden en andere slachtoffers is aangedaan. De politieke eisen van de dag schreven voor dat de eigen misère voorlopig bleef opgeborgen in de achterkamers van het privé-bestaan.

Sinds een jaar of vijftien is daar verandering in gekomen. Er wordt volop gepubliceerd over de ontberingen van de Vertriebenen (hoogtepunt: Peter Glotz, Die Vertreibung), over de vuurhel van de geallieerde bombardementen (Jörg Friedrich, Der Brand, nu als De Brand in vertaling verschenen bij Mets en Schilt en besproken in Boeken, 03.01.03) en over het lot van mannelijke familieleden die aan Hitlers zijde ten onder gingen (Uwe Timm, Mijn broer bijvoorbeeld, zie het interview in Boeken, 30.04.04).

Deze boeken delen de sympathieke eigenschap dat ze niet proberen in het voetspoor te treden van de historicus Ernst Nolte, die eind jaren tachtig tijdens de Historikerstreit een poging deed om Duitse schuld te relativeren door het collectieve leed van de Duitsers af te zetten tegen de ellende van de slachtoffers die het nazisme had gemaakt. Glotz, Friedrich en Timm schrijven over leed als persoonlijke en emotionele ervaring. Individualisering en emotionalisering: dat zijn de nieuwe coördinaten die, aansluitend bij een actueel-maatschappelijke trend, sinds enige tijd in Duitsland de herinnering aan de oorlog bepalen.

Het meest indrukwekkende voorbeeld van de nieuwe herinnerings-Welle is Meines Vaters Land van de journaliste Wibke Bruhns. Haar vader stierf in 1944, toen zij zes jaar oud was. Over de omstandigheden van zijn dood kreeg zij niets te horen. Haar moeder en haar oudere zusters zwegen. Het enige wat Wibke te weten kwam werd haar door vrienden en kennissen van haar moeder ingefluisterd: dat haar vader zo'n leuke, aardige, begaafde en intelligente man was geweest.

De klap kwam in 1979. Bruhns vloog voor een verblijf van een paar dagen naar Jeruzalem om daar kwartier te maken voor een correspondentschap van enkele jaren. Bij terugkomst van dit reisje vond ze op haar televisietoestel een videoband, aangeleverd door een hulpvaardige kennis, met de opname van een documentaire over de aanslag op Hitler in juli 1944. En daar stond hij voor het Volksgerichtshof, aangeklaagd wegens hoogverraad. Haar vader, zo werd haar na vijfendertig jaar duidelijk, was na een veroordeling wegens zijn aandeel in de samenzwering tegen Hitler opgehangen aan een vleeshaak, een straf die de Führer persoonlijk had bedacht.

Familiearchief

Er waren jaren van psychoanalyse nodig voordat Wibke Bruhns tot het besluit kwam om tot op de bodem uit te zoeken wie haar vader was geweest en hoe hij uiteindelijk voor Hitlers tribunaal terecht was gekomen. Haar zoektocht gaat terug tot het einde van de negentiende eeuw, toen de overgrootvader van Wibke in het Pruisische stadje Halberstadt een handelsfirma stichtte. Zij stuitte bij haar naspeuringen op een omvangrijk familiearchief met dagboeken, correspondentie en foto's. Aan de hand van dit authentieke materiaal heeft Wibke Bruhns een familiegeschiedenis geschreven die veel verder reikt dan een verslag van haar vaders levensloop. Zij wil begrijpen en verklaren, maar ze wil ook haar eigen emoties verwerken door vragen te stellen aan naasten die er niet meer zijn. De antwoorden moet ze zelf geven.

Het begint in haar ogen al mis te gaan (`Ik nader de pijngrens') omstreeks 1900, kort na de geboorte van haar vader Hans Georg. Grootvader Kurt meldt zich in die periode aan als reserve-officier. Hij leidt een bloeiend handelshuis, maar die taak is hem niet genoeg. Hij raakt bedwelmd door het geharnaste nationalisme van Wilhelm II. Zoon Hans Georg wordt als puber aangestoken door de vaderlijke behoefte om trouw aan keizer en vaderland te belijden. Hij is nauwelijks zestien jaar oud als de Eerste Wereldoorlog uitbreekt, maar al ruim een jaar later meldt hij zich als vrijwilliger. Hij komt terecht aan het Baltische front. Wibke schrijft met stijgende verbazing en weerzin over de nationalistische strijdlust die deze jongeman in de brieven aan zijn vader en moeder demonstreert. Door haar ogen kijkt het pacifistische Duitsland van dit moment naar een Duitsland dat niet op afstand van een kleine eeuw maar van lichtjaren lijkt te liggen.

Hans Georg blijkt een echte vechtersbaas, die het heerlijk vindt om Russen om te leggen. Het duurt enige tijd, schrijft hij in een brief, `voordat de eerste bloeddorst is gestild'. Wibke houdt het in haar verklaring van dit gedrag voorlopig op `die godvergeten mannelijkheid'. Haar vader raakt getraumatiseerd nadat hij in een ruzie een Duitse soldaat heeft doodgeschoten die geprobeerd had een varken te stelen. Het voorval blijft hem decennialang achtervolgen. Russen overhoop schieten, dat is een oorlogsplicht die met geestdrift wordt vervuld. Maar een landgenoot ombrengen, dat is onvergeeflijk: `Ik heb een mens doodgeschoten', schrijft hij vol wroeging.

Na de oorlog volgt ook bij Hans Georg de uitbarsting van rancune over de nederlaag, `Versailles' en de miserabele Weimarrepubliek. Wat opvalt is het apolitieke karakter van zijn houding: hij is verliefd op leger en vaderland en haat alles wat die instellingen ondermijnt. Verder reikt zijn politieke benul niet, hij is ongeïnteresseerd in politieke ontwikkelingen.

In de loop van de jaren twintig neemt hij van zijn vader de leiding over van het bedrijf. Nadat Hitler in januari 1933 aan de macht is gekomen, wordt hij van de ene op de andere dag een enthousiaste nazi. Ook vrouw en dochters storten zich in de beweging. Typerend voor de emotionele band die de familie-Klamroth in de jaren daarna met de Führer opbouwt, is de reactie van de oudste dochter nadat ze in augustus 1944 heeft gehoord dat haar vader is terechtgesteld. Zij schrijft in haar dagboek: `Mein Führer, noch wünsche ich vor Dir zu stehen, von deinem Blick festgehalten, und dann befiehl mir, was Du willst, ich werde sterben für Dich.'

Hoe kon de waanzin zo krachtig toeslaan? Het antwoord op die vraag blijkt van een schokkende banaliteit. De belangstelling van Hans Georg voor de Hitlerbeweging was tot januari 1933 minimaal. In april schrijft hij in zijn dagboek: `Aanmelding voor de NSDAP. 's Avonds bezoek kamermuziek.' Zo eenvoudig ging dat. Hij meldt zich aan omdat dit logisch voortvloeit uit de verheugende veranderingen die zichtbaar worden sinds Hitler aan de macht is. Meedoen is bovendien gunstig voor de zaak. Eindelijk is Duitsland weer een eenheid, volk en vaderland tellen weer mee.

Eer

Hans Georg, zo probeert Wibke uit te leggen, gaat in 1933 door waar hij in 1918 noodgedwongen moest ophouden. Een paar jaar later meldt hij zich ook voor de SS, want dat is de elite-organisatie waar officieren werkelijk op respect kunnen rekenen: `damit kennt er sich aus.' Voor het overige blijft hij de correcte en vriendelijke handelsman die hij altijd al was, al stoort Wibke zich hevig aan zijn buitenechtelijke avonturen. Het gezin geniet van de fakkeloptochten en parades die het bestaan in Hitler-Duitsland een verwachtingsvolle gloed geven. Er is weer hoop, de Führer werkt geestverruimend. Hans Georg laat een imitatiesnorretje staan. Kijkend naar de foto, schrijft Wibke: `Hij ziet eruit om van te kotsen'.

En de jodenvervolging? Hans Georg schrijft dat hij een hekel heeft aan joden, `uit rasseninstinct'. Hij werkt actief mee om joodse leden uit de werkgeversvereniging te verwijderen. Aan de andere kant blijft het gezin-Klamroth gesteld op de joodse huisarts en is het ontdaan als deze man Duitsland ontvlucht. Ook houdt Hans Georg in de zaak zijn halfjoodse assistent de hand boven het hoofd. Het is een patroon dat langzamerhand bekend is: individueel blijft men joden vaak correct bejegenen, maar de overheidsmaatregelen tegen de joodse populatie worden door het gros van de Duitse bevolking geslikt, zo niet actief gesteund. De moeder van Wibke vindt de Reichskristallnacht vooral zo erg omdat ze zich schaamt tegenover haar Britse au pair. Wist Hans Georg van de holocaust? Wibke hoopt van niet, maar ze weet eigenlijk wel beter. In 1943 werd de plaatselijke gemeenschap van joden onder de ogen van haar ouders uit Halberstadt weggevoerd.

Na het uitbreken van de oorlog meldt Hans Georg, hoewel hij inmiddels de veertig is gepasseerd, zich onmiddellijk aan voor frontdienst. Commentaar van Wibke: `Ich fürchte, das es ist: Ehre.' Als hij wordt overgeplaatst naar Denemarken, laat hij weten de `soldatische Passion' te missen. Dat wordt nog erger als hij in Berlijn bij de dienst voor contraspionage een bureaufunctie krijgt.

Waarom raakt hij betrokken bij de samenzwering tegen Hitler? Concrete aanwijzingen over zijn motieven zijn niet terug te vinden en Wibke probeert er het beste van te maken. Zij hoopt dat Hans Georg tenslotte toch nog de ogen werden geopend voor de barbarij van een moordzuchtig regime. Maar, geeft ze toe, waarschijnlijker is dat hij tot de groep officieren behoorde die na de verloren slag bij Stalingrad Hitler het verwijt maakten de oorlogskansen te verprutsen. Een tweede nederlaag, dat was voor Hans Georg een traumatisch perspectief. Aan het slot van dit goudeerlijke egodocument probeert Wibke haar emoties samen te vatten. `Ik kan hem niet anders bakken dan hij is', weet ze. `Het deugde niet wat hij deed, maar hij blijft wel mijn vader en die kan ik niet wegwerpen of loslaten. En is hij tenslotte niet als een held gestorven?'

Wibke Bruhns: Meines Vaters Land. Geschichte einer deutschen Familie. Econ, 385 blz. €22,–

    • Ronald Havenaar