Rechtshulp of pottenkijker

Eurojust moet justitiële samenwerking tussen landen van de EU stimuleren. Maar niet in alle landen zijn magistraten bereid informatie te delen.

Vorig jaar kwam de Duitse justitie klem te zitten in een onderzoek naar een grote Duitse fraudeur. Om de man te kunnen vangen moesten er 25 huiszoekingen worden gedaan in vier Europese landen, en wel tegelijkertijd. Regel dat maar eens, in een Europa met 25 verschillende rechtssystemen, waar magistraten binnenlandse zaken meestal vóór laten gaan. Duitsland schakelde Eurojust in, het coördinatie-orgaan in Den Haag voor magistraten uit alle EU-landen. Dat regelde meteen overleg met justitiële hot shots uit de betrokken landen. De huiszoekingen kwamen er.

Met dit soort succesverhalen luistert Eurojust zijn eerste jaarverslag op, dat gisteren in het zwaarbeveiligde hoofdkantoor werd gepresenteerd. Drugshandel, mensensmokkel, terrorisme, fraude – in 2003 kreeg de organisatie 300 verzoeken om te bemiddelen in zaken die in twee of meer landen speelden, 50 procent meer dan in 2002. ,,Bemoedigend'', zegt Eurojust-voorzitter Michael Kennedy, de Britse afgevaardigde binnen de organisatie. Maar nog geen reden om te jubelen: ,,Een aantal landen werkt nog niet genoeg mee. We zijn er nog lang niet.''

Zo vertelt Kennedy's Franse collega Olivier de Baynast dat hij lange tijd bijna niets te doen had, omdat Franse rechters hem niets vroegen en niets gaven. Als Nederland of Italië wilden natrekken of een verdachte ook in Frankrijk strafbare dingen deed, moest De Baynast – een advocaat-generaal met 28 jaar justitiële ervaring – daar justitie in zijn land op aanspreken. ,,Ik kreeg nauwelijks toegang tot die informatie. Omdat ze geen pottenkijkers wilden. Of omdat die informatie stoelde op gegevens van veiligheidsdiensten, die ze niet wilden delen.'' Hoewel de Franse minister van Justitie, net als zijn Europese collega's, de oprichting van Eurojust in maart 2001 toejuichte als een cruciale stap op weg naar de internationale criminaliteitsbestrijding – dringend nodig, omdat criminelen zich van grenzen ook steeds minder aantrekken –, zat diezelfde minister zijn magistraten niet achter de broek om mee te werken met Eurojust.

Magistraten zijn gewend om dossiers vertrouwelijk te behandelen. Informatie delen met collega's, en helemáál als die in het buitenland zitten, is voor hun iets tegennatuurlijks. ,,Vertrouwen kweken is cruciaal'', zegt De Baynast. ,,Ik ga dus vaak naar Frankrijk om ze vertrouwd te maken met het idee.'' Het gaat nu iets beter. Laatst rolden de Franse en Litouwse justitie samen een dievenbende uit Litouwen op, die in Frankrijk actief was. Maar op het gebied van de terreurbestrijding, zegt De Baynast, is het nog hopeloos. In Frankrijk is één onderzoeksrechter, Jean-Louis Bruguière, belast met alle dossiers. En Bruguière laat Eurojust compleet links liggen.

Na de aanslagen in Madrid op 11 maart bezwoeren de Europese ministers nog eens om alles te doen om de haperende politie- en justitiesamenwerking beter te laten verlopen. Islamitische terreurgroepen als Al-Qaeda werken immers in veel landen tegelijk. Dat magistraten in de EU hun kennis over die groepen bundelen, kan aanslagen voorkomen. EU-terreurcoördinator Gijs de Vries is al een paar keer bij Eurojust langsgeweest. Maar Bruguière laat zich niet zien. Vandaag is De Baynast voor de zoveelste keer in Parijs om de man ,,te vragen waarom hij nooit mijn hulp inroept''.

Nederland presteert wat beter. In 2003 kreeg het, via Eurojust, 55 verzoeken om rechtshulp. In 2002 waren dat er 46. Alleen Spanje en Duitsland kregen méér verzoeken. ,,We zijn een klein landje met veel buitenland'', zegt de Nederlandse vertegenwoordiger bij Eurojust, Roelof Jan Manschot. ,,Heel veel internationale zaken komen hier langs.'' Maar Manschot, die al 33 jaar in de Nederlandse justitie meedraait, merkt dat ook Nederland nog niet erg multilateraal denkt. Vandaar dat het land op de lijst van landen die via Eurojust om rechtshulp verzóéken onderaan bungelt: op de één na laatste plaats. In 2003 vroeg Nederland er maar drie keer om.

Het gebrek aan politieke wil bij de politici en de té nationale instelling van de 25 justitieapparaten in de EU blijkt ook uit het feit dat allerlei landen nog altijd hun wetgeving niet hebben aangepast aan het bestaan van Eurojust. De ministers hebben in 2002 een verdrag getekend over rechtshulp in strafzaken. Maar, staat in het jaarverslag, ,,de meeste lidstaten hebben nog geen werk gemaakt van de implementering'' van dat verdrag. In die landen zijn er dus nog steeds legale obstakels om mee te werken aan Eurojust. Ook afspraken over gemeenschappelijke onderzoeksteams worden niet opgevolgd. Die teams zijn er nog altijd niet.

Dat justitiële samenwerking ook een kwestie is van persoonlijke chemie, bleek in België. De vertegenwoordigster bij Eurojust kon zó slecht overweg met haar aanspreekpunt in België dat zij weinig kon uitrichten. Nu er een nieuw aanspreekpunt is, komt er ineens een stroom informatie op gang. Het kan helpen dat ze kopstukken uit het nationale justitieapparaat kennen. ,,Wij zijn de smeerolie voor de rechtshulp'', zegt Manschot. ,,Door mijn ervaring kan ik mensen 's nachts om drie uur bellen om dingen te regelen. Ik heb een netwerk. Als ik jong was geweest, zouden ze misschien gezegd hebben: `Maandagochtend om negen uur bent u de eerste'.'' Toch overkomt het hem nog dat zijn Italiaanse collega op vrijdagavond vertelt dat er een drugstransport onderweg is naar Nederland. ,,Dan denk ik: jongens. Jullie hebben er twee maanden aan gewerkt, en ik moet dat nu snel laten onderscheppen? Bel eens een maand eerder! Want ik weet intussen: als je goed samenwerkt, kun je succesvol zijn.''