Publiek is ademloos op festival jazz improvisatie

De stelling dat elektronische muziek live evenveel uitstraling heeft als een etalagepop in burka kan nu definitief naar de prullenmand worden verwezen. Met dank aan Cellule d'Invention Metamkine, dat gisteren het dOek-festival opende.

Het begint weinig belovend. Het licht gaat uit. Ergens ratelt een filmprojector. Flauw schijnsel op de muur. Maar dat is slechts de opmaat voor de een uur durende achtbaanrit voor oren én ogen. Vlekken, flitsen en vormen die nog het meest lijken op baarmoederecho's of vlekken uit de Rorschach test, schieten over het scherm. En telkens die drie, elkaar kruisende strepen. Wat zijn dat toch? Een uitvergroot spinnenweb? Drumsticks die op een stuk hout slaan?

Die laatste associatie is ingegeven door de ritmische patronen die uit de boxen knetteren. In eerste instantie lijkt ook het geluid afkomstig van de zeven 16mm en super-8 projectors waar Christophe Auger en Xavier Quérel half verbrand, uitgerekt en gekleurd celluloid doorheen jagen. Maar wie goed kijkt ziet op het randje van het podium Jérôme Noetinger zitten met zijn verzameling analoge synthesizers en tapeloop-machines. Bij iedere vertraging of versnelling van het beeld heeft hij een piep, ratel of bromtoon als antwoord. Of reageren de filmjongens juist op zijn cues? Het trio is zo goed op elkaar ingespeeld dat Cellule d'Invention Metamkine soundtrack en illustratie tegelijkertijd is.

Het Franse gezelschap doet een succesvolle stap naar voren in de electro-impro door disciplines te mengen. Toshimaru Nakamura tast de toekomst af door juist een technologische stap naar achteren te zetten. De Japanner werkt met enkel een kaal mengpaneel. Er zit niets op aangesloten. Geen sampler, geen traditioneel instrument, geen oscillator, niks. Zijn instrument is puur hardware. En daar produceert hij diepe, lange tonen mee die zo ontzield klinken dat het eng is. Het dunne laagje kleur dat gitarist Oren Ambarchi daar omheen breit biedt weinig warmte. Maar gelukkig is er nog Cor Fuhler, die dit gelegenheidstrio compleet maakt. De toetsenist, die deze keer zijn zelfbouw-elektronica thuis heeft gelaten, graait gul in de vleugelbak en doorboort Nakamura's robotminimalisme met dramatische knallen.

Fuhler is één van de oprichters van muzikantenorganisatie dOek, die dit jaar voor de vierde keer het gelijknamige festival wijdt aan de stand van zaken in de (jazz)improvisatie. Dat er de eerste avond veel aandacht is voor de stekker-en-snoer-variant, zegt iets over de opkomst van elektronica in het genre. Maar dOek schiet niet door in nieuwlichterij.

Er is ook voldoende aandacht voor de akoestische improvisatietak met oog voor de traditie. Die wordt op de openingsavond vertegenwoordigd door het kwartet van Eric Boeren, ook een founding father van dOek. Boerens set begint met Ornette Coleman en eigen stukken die naadloos aansluiten bij Colemans freejazz.

De onvoorspelbare energie van vaste drummer Han Bennink laat zich dan voelen. Maar vervanger Paul Lovens maakt veel goed in het rustiger vervolg. Zijn subtiele, op de bekkens gecentreerde spel, geeft de blazers de ruimte zo breekbaar en oermenselijk te spelen dat iedereen zijn adem inhoudt.

Festival: dOek. Gehoord: 27/5 in BIMhuis Amsterdam. Nog t/m 29/5.