`Olie is onze vloek'

De olie-inkomsten van Angola, een kwart van het bbp, verdwijnen spoorloos. Maar twee jaar na het einde van de oorlog wordt het stelen voor de Angolese regering lastiger.

Er klopt iets niet aan het benzinestation van Cabinda-stad. Twee roestige pompen op een pleintje van gebroken beton. Het klagen over de hoge olieprijs in de meest noordelijke provincie van Angola, klinkt er niet anders dan in de rest van het land, of de wereld. Sinds twee weken betalen ze in Cabinda 67 procent meer dan voorheen.

Het is het uitzicht. Wie de lange sliert auto's volgt die voor het tankstation staan te wachten – 36 uur voor een tank benzine tegenwoordig – ziet vanzelf ook de palmbomen, het strand, de zee en de olieplatforms van ChevronTexaco, die wijdbeens woeste vlammen de lucht in blazen.

Zestig procent van Angola's olie-inkomsten en bijna 7 procent van Amerika's olietoevoer komt uit de zee van Cabinda. ,,Het is zot'', mort pompbediende Fernando Cula. ,,Vijfentwintig kilometer verderop pompen ze elke dag bijna een miljoen vaten omhoog, en hier is geen druppel te krijgen. Onze olie is sneller in de Verenigde Staten dan in Cabinda.''

Er is een simpele verklaring voor Cabinda's bizarre paradox. De Angolese olie die voor de binnenlandse markt is bestemd, per dag 45.000 vaten, kan alleen worden geraffineerd in Benguela, duizend kilometer ten zuiden van Cabinda. Tegen de tijd dat de tankers met benzine of diesel naar Cabinda zijn teruggekeerd, is de rest van de olie allang de oceaan over.

Naar schatting 20 miljard dollar verdiende Angola in de afgelopen vijf jaar aan de olie-export. Toch moet het land het doen met één raffinaderij, is meer dan een miljoen Angolezen afhankelijk van buitenlandse voedselhulp, sterft een kwart van alle kinderen in het eerste levensjaar.

,,Olie is onze vloek'', zegt pater Jorge Congo die wil dat Cabinda onafhankelijk wordt van Angola. Wegens de olie kan Cabinda onafhankelijkheid wel vergeten. Vanwege de olie is het leven in Cabinda bijna onbetaalbaar. Vanwege de olie lijdt Angola aan wat economen 'Dutch disease' noemen. De aanwezigheid van grondstoffen maakt investeren in de rest van de economie overbodig en drijft de prijzen op, zoals in Nederland gebeurde na de ontdekking van aardgas in de Noordzee. En in het geval van Angola: wegens de olie is stelen heel eenvoudig.

Volgens rapporten van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en actiegroepen als Global Witness en Human Rights Watch verdwijnt elk jaar meer dan 1 miljard dollar (816 miljoen euro) van Angola's olie-inkomsten spoorloos. Dat is bijna een kwart van het bruto binnenlands product. Over de bestemming van de petrodollars bestaan alleen vermoedens. Volgens de Britse Economist Intelligence Unit hebben zo'n twintig Angolezen ieder meer dan 100 miljoen dollar op hun privé-rekening staan.

Tot twee jaar geleden kon de MPLA-regering de gaten in de boekhouding nog wijten aan de oorlog met de Unita-rebellen. Sinds de dood van rebellenleider Jonas Savimbi begin 2002 en het abrupte einde van de gevechten is de houdbaarheidsdatum van dat excuus verstreken. Zoals Rafael Marques van de Open Society Foundation zegt: ,,De regering heeft haar beste schild, Jonas Savimbi, aan stukken geslagen.''

Zwitserse autoriteiten gelastten onlangs een Geneefse bank een rekening met ruim 50 miljoen euro te bevriezen die op naam zou staan van de Angolese president José Eduardo dos Santos. De Britse regering dwingt met een felle campagne (Extractive Industries Transparency Initiative) de bedrijven die zakendoen in Angola tot meer openheid. En in de Angolese pers werd `Angolagate' breed uitgemeten. Heel het land weet nu dat de voormalige top van oliemaatschappij Elf Aquitaine in Frankrijk achter de tralies zit wegens steekpenningen die zijn betaald aan onder anderen president Dos Santos.

Het schouderophalen voor de beschuldigingen is pas sinds half mei gestokt, sinds een bezoek van president Dos Santos aan de Verenigde Staten. De VS hebben de Angolese olie hard nodig om de klappen in het Midden-Oosten op te kunnen vangen. In 2015 moet een kwart van de Amerikaanse olie uit Afrika (Nigeria en Angola) komen. Luanda heeft sinds een jaar een rechtstreekse en dagelijkse verbinding met Houston, Texas.

Vlak voor het bezoek aan Washington verscheen op het internet plotseling de oliediagnose van accountantsbureau KPMG. Drie jaar lang heeft de Angolese regering publicatie geweigerd omdat het rapport, in de woorden van een westerse diplomaat ,,pijnlijk de nachtmerrie van de Angolese boekhouding aantoont''.

In Washington maakte oliemaatschappij ChevronTexaco bovendien bekend een bonus van 300 miljoen dollar te hebben betaald bij het tekenen van een contract met staatsoliebedrijf Sonangol. Chevron heeft altijd geweigerd zijn betalingen openbaar te maken omwille van de `goede werkrelatie' met het gastland, maar had nu kennelijk het fiat van Luanda.

Chevron is de ruggengraat van Angola's enclave-economie. Het bedrijf heeft zich in Cabinda verschanst achter manshoge hekken, omringd met een mijnenveld. Binnen bieden golf -en tennisbanen, een zwembad en satelliettelevisie het Amerikaanse leven. Helikopters vliegen de ingenieurs naar en van de olieplatforms, ze hoeven hun schoenen nooit op de modderwegen van Cabinda vuil te maken. Angola is een ander land.

Dat de verschillen zo groot zijn tussen de luxe van Chevrons onderkomen en de rest van Angola is volgens de woordvoerder van de oliemaatschappij de schuld van de regering. ,,Wij zijn niet verantwoordelijk'', zegt Fernando Paiva op het hoofdkantoor. ,,Maar de beschuldigingen van corruptie met de oliegelden waren niet goed voor ons imago. Wij waarderen het dat de regering met de trend van geheimzinnigheid heeft gebroken.''

Volgens actiegroepen als het Britse Global Witness hebben Chevron en anderen zich tot nu toe te makkelijk achter de brede rug van de Angolese regering verscholen. ,,De oliemaatschappijen hebben meer macht dan ze zichzelf toedichten. Zij leveren de dollars'', zegt Gavin Hayman, motor achter de campagne `Publish what You Pay' (maak bekend wat je betaalt). Volgens Hayman is de sfeer in Angola weliswaar veranderd, maar houden oude gebruiken stand.

De regering sloot onlangs twee nieuwe leningen af, waarbij olie die in de toekomst wordt geproduceerd als onderpand dient. Het IMF weigert Angola geld te lenen, afgeschrikt door de corruptie.

Volgens de schrijver van `Angola: anatomy of an oil state', betaalt de Angolese regering de prijs van de peperdure olieleningen grif omdat ze zo internationale accountants op afstand houden. Tony Hodges spreekt over de `Bermuda Driehoek', de schimmige relatie tussen het staatsoliebedrijf Sonangol, het ministerie van Financiën en de centrale bank, waarin de oliegelden verdwijnen als schepen. Veel inkomsten van Sonangol bereiken de boeken van het ministerie van Financiën nooit, omdat Sonangol namens de staat schulden afbetaalt met olievrachten. Door de olieleningen weet niemand hoeveel de staat, of zijn functionarissen, precies verdient.

Terugkeer van het IMF is daarom dringend nodig, vinden internationale donors. ,,Misschien gebeurt het nog voor het einde van dit jaar'', zegt een Westerse diplomaat. Een van de voorwaarden is dat de Angolese regering een datum bekend maakt voor verkiezingen, die al meer dan twaalf jaar niet meer zijn gehouden. De parlementscommissie die al maanden over een datum vergadert, staakte vorige week zijn activiteiten, omdat regeringspartij MPLA opnieuw op uitstel aanstuurde. Verantwoording afleggen in het nieuwe Angola is nodig, vindt de regering. Alleen nu nog even niet.