Nota Ruimte: het blijft polderen

Het regende de afgelopen weken reacties, adviezen, nota's en congressen over het nieuwe ruimtelijke beleid. Menigeen vindt dat lokale bestuurders te veel vrijheden krijgen. Maar is deze angst gegrond?

Centraal wat moet, decentraal wat kan. Dat is het uitgangspunt van het ruimtelijk beleid voor de komende kwart eeuw. Zo staat het in de Nota Ruimte van het kabinet, die eind vorige maand uitkwam.

De reacties erop lopen uiteen. Vooral de trend naar decentralisatie heeft de tongen losgemaakt. Enerzijds is er waardering dat het rijk inziet dat veel ruimtelijke plannen meer kans maken om uitgevoerd te worden als ze afkomstig zijn van lokale bestuurders en bewoners. Dat is vroeger wel eens anders geweest. Anderzijds is er de angst dat die lokale bestuurders er een potje van maken. Dat de kwaliteit van de ruimte een kwestie van toeval zal worden.

Het is evenwel de vraag hoe serieus die lokale vrijheden genomen moeten worden. Het regende de afgelopen weken reacties, adviezen, nota's en congressen over het nieuwe ruimtelijke beleid. De aanbevelingen zijn talrijk en divers. Uit al die reacties blijkt vooral dat de nieuwe vrijheden door een aantal uiteenlopende factoren worden beknot. Er bestaat in Nederland een invloedrijk systeem van adviesorganen, kennisinstituten en bestuursorganen die er vermoedelijk samen voor zorgen dat de beleidswijziging minder groot zal zijn dan velen hadden gehoopt dan wel gevreesd. Zo eenvoudig valt het poldermodel niet af te schaffen.

De belangrijkste beperking is dat het rijk en niemand anders verantwoordelijk blijft voor ruimtelijk beleid dat van nationaal belang wordt geacht. Dat betreft de verdere ontwikkeling van de Randstad. De snelwegen en spoorlijnen naar het zuiden en het noorden, zoals de Zuiderzeelijn. Het aanwijzen van belangrijke bedrijventerreinen zoals in Moerdijk en de Hoeksche Waard. En het beperken van woningbouw in de omgeving van Schiphol. Dit beleid gaat de zogenoemde ruimtelijke hoofdstructuur aan.

Een andere beperking is dat provincies en gemeenten onvoldoende wettelijke bevoegdheden hebben om hun eigen plannen uit te voeren. Ze klagen over de moeite die het kost om gronden te verwerven. Ook is het moeilijk projectontwikkelaars te dwingen mee te betalen aan algemene voorzieningen in een nieuwbouwproject en woningcorporaties aan te sporen investeringen te doen in oude wijken.

Een andere beperking komt van de planologen. De VROM-raad vindt dat het landelijk gebied alleen mag worden bebouwd als het platteland daar kwalitatief beter van wordt. Bovendien mag het `buiten bouwen' vooral niet leiden tot een sociale scheiding van rijke nieuwkomers op het platteland en armere stedelingen. Het Ruimtelijk Planbureau waarschuwt bovendien voor slappe compromissen, tenzij er iets totaal nieuws wordt bedacht en er inspirerende leiders bij worden betrokken.

Ook wordt de vrijheid beperkt door de roep van vele organisaties om kwaliteitsbewaking. Het ministerie van VROM erkent dat ook. Laat honderd bloemen bloeien, zo heet het, maar wel binnen de perken. Lokale overheden hoeven geen bebouwingsgrenzen te stellen, maar het mag wel. Zonder toelatingsplanologie geen ontwikkelingsplanologie.

Het belangrijkste resultaat van dit balanceren tussen vrijheid en beperking is de de grotere rol van de provincie. Die wordt nog meer dan nu `regisseur' van de ruimte. Provincies zullen plannenmakers moeten stimuleren en tegelijkertijd aansturen. Gebieden waar een woonwijk, een bedrijventerrein of nieuwe natuur moet worden aangelegd, zijn te groot om door een of twee gemeenten te worden ontwikkeld.De provincies kunnen daarbij het voortouw nemen. Zij moeten structuurvisies maken, daarvoor steun werven en toezien op de uitvoering. Wel vragen de provincies zich af hoe het provinciale toezicht op het eigen functioneren moet worden geregeld.

Bij de provincies moet ook de expertise en de bestuurskracht zitten. De vraag is of de provincies deze rol aan kunnen. Sommigen zijn daarover sceptisch. Anderen wijzen op hun toegenomen attractiewaarde. Er zijn bestuurders die liever gedeputeerde van een provincie zijn dan lid van de Tweede Kamer.