Mijn uitroeptekens trekken krom

Men zegt wel eens: alles wordt uit de kast gehaald. Maar ik heb zelden een dichter gezien die zo ontzettend alles uit de kast haalt als H.H. ter Balkt in zijn in alle opzichten indrukwekkende bundel Anti-canto's en De Astatica. Hij laat geen middel onbenut om ons zijn boodschap in de manke oren te schreeuwen. Hij zingt, preekt, babbelt, waarschuwt, fluistert, beleert, blaft, fleemt, kletst en spreekt. Omdat het Nederlands hem te eng is, vervormt hij het, rekt hij het op met middeleeuwse en gewestelijke woorden en vormen en spreekt hij verder in alle talen die hij machtig is. Hij is geleerd en boers, cerebraal en aards. Hij ademt ether en blubber. Hij laat het wemelen van de citaten, die al dan niet worden geïdentificeerd in het gedicht zelf of in de verklarende aantekeningen. Alles wat de typografie vermag, wordt benut en de gedichten zijn doorsneden met tekeningen, foto's, chemische formules en facsimile's van krantenberichten, strips, notitieboekjes van natuurkundigen en een etiket van 50 kg biggenmeel (eiwitrijk) van E.J. Bos b.v., Hoofdweg 244 te Ederveen.

Men zegt wel eens: hij is zichzelf. Maar zelden heb ik een dichter gezien die zo onnavolgbaar zichzelf is als Ter Balkt in deze compromisloos woest voortwoekerende gedichten. In zijn laatste bundels, de delen Laaglandse hymnen, werd hij nog enigszins in toom gehouden door het historische stramien, zijn didactisch prerogatief, de beperkte omvang van de gedichten en de betrekkelijke vormvastheid. Dat leverde prachtige poëzie op. Maar in deze Anti-canto's zien we wat er gebeurt als alle ankertouwen worden doorgehakt en de poëzie ongehinderd wordt voortgedreven door de woeste stormen van tomeloze associeerdrift. Alle eigenzinnige kenmerken die zijn rijke poëtisch oeuvre sinds zijn debuut in 1969 heeft vertoond, vertonen deze anti-canto's in pure, onaangelengde vorm. Het zou mij niets verbazen als deze bundel in de loop der tijden beschouwd zou gaan worden als het epicentrum van zijn gehele oeuvre, waarvoor hij vorig jaar volledig terecht werd gelauwerd met de P.C. Hooftprijs.

De compromisloze ongebreideldheid heeft een voorspelbaar gevolg. De gedichten zijn in hoge mate centrifugaal. Hier kom je niet zo ver met een klassiek geschoolde leeshouding die uit is op het ontrafelen van schijnbare veelvormigheid en het vinden van een kern van betekenis die het gedicht eenheid verschaft. Een dergelijk eenheidsbeginsel is niet van toepassing op deze gedichten. In die zin zijn de gedichten met recht Anti-canto's, omdat zij in hun moedwillige kernloosheid het principe van compositorische eenheid van de klassieke canto van binnenuit opblazen. Je moet voor deze gedichten anders leren lezen. Dit is een betrekkelijk willekeurig gekozen passage uit de fenomenale betekenissymfonie die wordt gepresenteerd als `Anti-canto 17':

De Armada schudt zijn zilveren belletjes

..De Armada tegen Harten-in-Twee

vergaat opnieuw

Alwater na Awater

Bijenhoeve De Angel en Schloss Dweghila

nn lopen o n d e r

Blauwe Alice kreeg ze getrokken

Ga onmiddellijk weg Toxinen

Blaartrekkende Boterbloem

Slaapbol

Jullie worden gewenkt uit het verre Meer

Waar de Zeppelin Esox Lucius

op jullie wacht

Dergelijke poëzie valt niet te reduceren tot een kernbetekenis. Zulke verzen willen niet begrepen worden op de manier zoals wij op school geleerd hebben poëzie te begrijpen. Dat ligt slechts in geringe mate aan het feit dat de dichter lijkt te verwijzen naar allerhande dingen die wij niet weten. Zelfs als de aantekeningen verklaren dat de eerste zeppelin in 1900 vloog en dat Esox Lucius een snoek is en zelfs als we voor alles wat de aantekeningen niet verklaren encyclopedieën en atlassen naslaan, zullen deze verzen hun geheimen nooit volledig blootgeven. De woorden scheren op onnavolgbare wijze langs een baaierd van associaties en de lezer heeft geen enkele andere keuze dan zich over te geven en mee te tollen in de kermisattractie van betekenissen en beelden. En zodra je je verzet opgeeft, begin je wel degelijk allerlei verbanden te zien in deze schijnbare vormeloosheid. Je ziet hoe de dichter via klankassociatie van Armada naar Alwater springt en vervolgens naar Awater, Angel en Alice. Je ziet dat `De Angel' een toepasselijke naam is voor een bijenhoeve. Je ziet in dat de Armada alles te maken heeft met water en je herinnert je dat het gedicht Awater begint met de verzen `Wees hier aanwezig, allereerste geest,/ die over de wateren van aanvang zweeft.' Je ziet in dat de zilvervloot uiteraard belletjes van zilver heeft. Bovendien spelen belletjes een rol in de katholieke mis, waardoor het beeld ontstaat dat de Armada als een vloot drijvende kathedralen op de ketterse lage landen afzeilt. En het luchtschip zeppelin, dat over de wateren zal zweven naar de nieuwe wereld, heeft veel gemeen met deze Armada, zeker wanneer het de naam van een vis draagt. En uiteraard begrijpen we dat dit luchtschip dat op ons wacht, evenals de Armada, opnieuw zal vergaan. En zo is in deze verzen alles aanwezig: aanvang en vergaan, lucht en water, dood en leven, religie en overmoed.

Als je bereid bent Ter Balkt na te volgen in zijn onnavolgbaarheid, is zijn poëzie een eindeloos avontuur waarbij telkens meer onvermoede vergezichten opdoemen. Het is onmogelijk om in het bestek van een krantenstuk recht te doen aan de ongehoorde rijkdom van deze complexe, weerbarstige, woeste, wonderlijke bundel. Er zit niets anders op dan hem te lezen.

H.H. ter Balkt: Anti-canto's en De Astatica. De Bezige Bij, 175 blz. €19,90