Honden kunnen niet tegen doorfokken

Er zijn meneren die verkopen appels, peren en trossen druiven. Zij zitten in de fruithandel.

Er zijn andere meneren die verkopen auto's. Die meneren zitten in de autohandel. En er zijn ook meneren en die verkopen kleine hondjes. Zij zitten in de hondenhandel. En met die hondenhandel is iets goed mis. Die handel is vals. Dat zegt de Dierenbescherming zelf.

Wat is er mis met de hondenhandel? De Dierenbescherming zegt dat de meneren die honden fokken niet zo aardig zijn voor de honden. Ze denken alleen maar aan hun handel. Ze willen zoveel mogelijk hondjes verkopen. Dus willen ze dat de vrouwtjeshonden, de teven, heel vaak zwanger zijn. Dan kunnen ze veel puppies werpen. Maar die teefjes kunnen niet zo vaak zwanger zijn. Vrouwtjesmensen zijn toch ook niet de hele tijd zwanger? Die moeten daar ook van uitrusten. Nou dan.

En soms worden die teefjes ook nog eens heel lang opgesloten in vieze hokken.

En de puppies worden heel vaak ziek geboren. Soms wel zes in een nest van tien. Dat komt doordat die fokkers steeds met dezelfde honden fokken. Dat heet doorfokken. Honden kunnen niet tegen doorfokken.

Sommige soorten honden krijgen van dat doorfokken last van hun botten. Labradors bijvoorbeeld, kunnen dan niet goed meer lopen. Teckels krijgen last van hun rug. En bij Pekinezen rollen de oogjes wel eens uit hun kop. Echt waar: zo uit hun kop. De fokkers verkopen die hondjes gewoon. Dat is nou malafide.

De regering zegt dat de fokkers moeten beloven dat ze niet zullen doorfokken. Ja, da-hag, zegt de Dierenbescherming. Dat is net zoiets als aan een inbreker beleefd vragen of hij niet meer wil inbreken. Zonder strenge wet gaan ze daar natuurlijk gewoon mee door.