Hardhandige blijken van genegenheid

Eugene Richards (1944) is een reus in de fotografie. Titels van fotoboeken die hij op zijn naam heeft staan, geven zijn specialisme aan: The knife and Gun Club, Cocaine True Cocaine Blue – zwartwit-reportages over de Amerikaanse zelfkant, die in een onthutsend zwartwit realisme wordt uitgelicht. Want bij Richards moet je niet aankomen met schaduwvlekken op zonovergoten bospaden. Als fotograaf met een humanistische en fatalistische levensvisie kijkt hij naar algemeen menselijke fenomenen waar je zelf aan hoopt te ontkomen: kanker, drugsverslaving, armoede, aids en dementie.

De boektitel The fat baby, een recente bundeling van fotoreportages met paginagrote opnamen uit het laatste decennium, doet vermoeden dat Richards nu iets meer zonlicht in zijn werk toelaat. Vergeet het maar – de `fat baby' heeft betrekking op een kind van het straatarme Hausa-volk in Niger. De grootmoeder duwt die baby pal voor de lens, omdat ze in het dikke jongetje een belofte ziet voor een betere toekomst. Dat vooruitzicht is dringend gewenst, ze heeft net het magere kindje van haar aan aids overleden kleindochter begraven.

Een verschil met andere beroemde fotografen die zich op de maatschappelijke onderkant richten, is dat Richards, afgestudeerd in literatuur en journalistiek, zijn reportages van uitgebreide teksten voorziet. Bij elk van de vijftien, vooral Amerikaanse reportages in The fat baby beschrijft hij op een neutrale toon wat hij ter plaatse zag, meemaakte en te verwerken kreeg. Geen overbodige teksten, want de zwarte Amerikaan die zijn vrouw en kinderen innig liefkoost in de eerste reportage, blijkt zijn genegenheid zo hardhandig tentoon te spreiden dat Richards het liefst op de vlucht wil.

Hoe misleidend fotografie kan zijn en hoe hopeloos de toekomst voor kinderen in deze sociaal ontwrichte Amerikaanse gezinnen, vertelt ook de opname van een vijf-, zesjarig jongetje, een kleinkind van diezelfde zwarte man in Chicago. Het heeft zich huilend verstopt naast de wc-pot. Je weet niet beter of het is nukkig, moe, verveeld. Alweer een vergissing: het kind zoekt dekking voor zijn diep gestoorde grootvader, die hem zo opgefokt te grazen neemt dat hij het kind bijna wurgt.

In uithoeken van Amerika ontmoet Richards een armoedige boerenfamilie die almaar poogt te oogsten waar nauwelijks te oogsten valt. In Mexico bezoekt hij een psychiatrische kliniek waar naakte, verwilderde patiënten die net bij wijze van wasbeurt met emmers koud water zijn overgoten, geen handdoek waard zijn. Tijdens de Balkanoorlog fungeert een operatiekamer van een Bosnisch hospitaal als een smerig doorgangshuis voor zwaargewonde soldaten, bevallende vrouwen en suïcidale kinderen. Via Niger keren we bijna opgelucht weer terug in de Amerikaanse suburbs, in de Bronx dit keer, waar de fotograaf bij het zoveelste geëxecuteerde bendelid de camera alleen nog maar gebruikt om zich emotioneel af te schermen.

The fat baby is een grimmig boek, met documentaire beelden die vaak in een abrupte beweging zijn vastgelegd. Aan elke zweem van poseren, ensceneren of manipuleren heeft Richards een broertje dood. Hij sleept je liever zonder omhaal een werkelijkheid binnen waar je niet van weet en niet wil wezen. Waar hij komt, is orde ver te zoeken. Daarom lijkt hij zijn beelden nauwelijks te kaderen en zijn zijn invalshoeken net zo onvoorspelbaar als wat hij aan rampspoed kan aantreffen. Ook dat facet draagt bij aan de urgentie van zijn werk. En die urgentie houdt in dat er klappen moeten worden uitgedeeld, aan al diegenen die zich elders op de wereld vooral zorgen maken over hun bonus, hun hypotheek en hun prepensioen.

Eugene Richards: The fat baby. Phaidon, 432 blz. €95,–