Hand in hand bij de advocaat

Scheiden is een kunst. `Nadat ik bij haar was weggegaan, belde ik haar iedere avond, meestal om zeven uur. Dan was Bruno nog op, en zei ik dat papa van hem hield en dat papa ook niet helemaal begreep waarom alles was zoals het was [...] Meestal belde ik om halfnegen voor de tweede keer. Bruno lag op bed en ik had mezelf een biertje ingeschonken. Cathy kwam vaak wat moeilijk op gang, maar als ik een tijdje deed of het gezellig was, kwam ze wel los [...] Meer dan eens volgde ook 's nachts een gesprek, als ik niet kon slapen, of zomaar, omdat ik haar wilde horen.'

De hoofdpersonen van Misschien maar beter ook, de tweede verhalenbundel van Ton Rozeman (in een vlaag van anglofiele aanstellerij van de ondertitel Short story's voorzien) zijn lieve mensen. Net als in Rozemans debuutbundel Intiemer dan seks (2001) zijn de personages in zijn verhalen niet overdreven ambitieus, getalenteerd of gepassioneerd. Ze wonen in huizen waar je de centrifuge van de buren kunt horen, ze werken op kantoren of verdienen hun geld als huisschilder. Vrij plotseling – en vrij laat, want ze zijn een tikje naïef – ontdekken ze dat hun relatie de uiterste houdbaarheidsdatum heeft bereikt en beginnen ze te twijfelen. Weg of niet weg?

En als ze dan weg zijn, blijft het ingewikkeld, zoals blijkt uit de boven geschetste telefonades uit het openingsverhaal van de bundel. De man die maar niet kan stoppen met het bellen van zijn ex Cathy komt in nog twee verhalen voor, die zich eerder afspelen. Daarin lezen we hoe het is misgegaan in de relatie nadat de hoofdpersoon zich door een vlotte meid op kantoor heeft laten verleiden. Dat ging overigens gepaard met weinig vleiende opmerkingen als `Misschien ben jij gewoon een vaag mannetje'. De affaire is eindig, maar dat geldt, zo blijkt, ook voor het huwelijk van de hoofdpersoon. Met haat en nijd gaat dat niet gepaard: hand in hand zitten de scheidenden bij de advocaat.

Het is die afwezigheid van kwade wil die de sfeer in de verhalen van Rozeman bepaalt. Men gunt elkaar het beste, en stort dan de ander in het ongeluk haast per ongeluk. Door dat laatste raken Rozemans eenvoudige, beeldende scènes je des te harder. Want als er geen kwade genius achter de ellende steekt, wat is er dan aan te doen?

De weduwnaar wiens dochter gaat samenwonen met een student filosofie laat een vrouw binnen die over God wil praten (`ik doe dit werk nog maar pas, u, jij, was mijn eerste klant, ik bedoel, de eerste die mij binnenliet') maar die het gesprek al snel op haar eigen scheiding brengt. Hij, te bedeesd om haar veronderstellingen tegen te spreken, wekt de indruk ook gescheiden te zijn. Zij komt regelmatig terug, steeds praten ze een kwartier over het geloof en de rest van de tijd over het leven. Dat klein geluk duurt niet lang. De dochter keert terug naar huis – het was geen leven met de filosoof. Als dan de vrouw van het geloof weer op de stoep verschijnt, weet de man niets anders te zeggen dan dat zijn vrouw is teruggekomen. `Niet te geloven, zegt de vrouw. Blikken worden gewisseld, een tijdlang gebeurt er niets. Dan ga ik maar weer, zegt ze. Misschien is dat maar beter, zegt hij.'

Daar treedt een effect op dat je vaker hebt in deze verhalen: halverwege worden de rollen omgedraaid: niet de ongelukkige, eenzame man blijkt aan het einde van de rit het grootste slachtoffer, maar de `vrouw van het geloof'. Of, in het verhaal dat begint met de zin `Hoewel ze vanmiddag voorgoed bij hem weggaat, doet ze vanochtend nog zijn boodschappen'. Daarin blijkt niet de suïcidale man die verlaten wordt door zijn vrouw de grootste mislukkeling, maar die vrouw zelf. Want na bij hem te zijn weggereden en een dagje doelloos te hebben gezworven, is ze al snel weer op weg terug naar huis.

Niet alleen in de thematiek van schuldeloos ongeluk gaat Rozeman in Misschien maar beter ook voort op de met zijn debuut ingeslagen weg, ook personages en situaties keren terug. `Warm en hard en nat' is zelfs een herschreven versie van een van de verhalen uit Intiemer dan seks. Een dagje naar het strand voor zoon, dronken moeder en brutaal buurmeisje wordt een dagje naar het strand voor man, dronken vrouw en brutale dochter. En het stelletje Gregor en Alice (hij overspannen, zij doortastend) uit Rozemans debuut keert ook terug: hij is inmiddels weer aan het werk (`ik doe dit voor haar'), ontdekt dat zijn baas er bijna even slecht aan toe is als hijzelf.

De overlappingen en gedeeltelijke herhalingen zijn opzet. `We hebben niets gemeen met reizigers, experimentators, avonturiers', citeert Rozeman Pavese in het motto bij zijn bundel. `We weten dat de zekerste – en snelste – manier om verrast te worden het onverstoorbaar gadeslaan van steeds hetzelfde voorwerp is'. Daarin slaagt Rozeman ook in zijn tweede bundel, zij het dat ook de keerzijde van die aanpak zichtbaar wordt. Want een mens kan maar een beperkt aantal blikken op hetzelfde verdragen. Sommige verhalen in Misschien maar beter ook krijgen iets monotoons. Dat heeft een functie, het maakt de ellende van de hoofdpersonen extra goed invoelbaar, maar het doet je wel geleidelijk verlangen naar het moment waarop Rozeman zijn blik ook eens op iets anders gaat richten.

Ton Rozeman: Misschien maar beter ook. Short story's. L.J. Veen, 160 blz. €14,95