Gematigd tot in de drankbestrijding

Hendrik Goeman Borgesius, liberaal politicus in de tweede helft van de negentiende eeuw, krijgt van zijn biograaf de titel mee van `Vader van de verzorgingsstaat'. Daarmee is de toon gezet. Het is een door bewondering gekozen eretitel op een historisch terrein waarin tot dusver alleen de sociaal-democraat Willem Drees als een `vader' is geëerd. Deze betiteling had Drees van dankbare ouden van dagen in 1947 gekregen voor zijn noodwet, die voor het eerst een staatspensioen mogelijk maakte. Goeman Borgesius is zo niet op het politieke toneel gehuldigd. En in de biografie van Bert Wartena is voor zo'n beeldvorming ook geen aanleiding te vinden.

Toch ontbrak het hem niet aan grote politieke wapenfeiten. Goeman Borgesius is een van de initiatiefnemers van de parlementaire enquête van 1887 naar de arbeidsomstandigheden in de fabrieken in Amsterdam, Tilburg en Maastricht. Dit onderzoek met soms schokkende bevindingen werd het empirisch bewijs van de noodzaak van sociale wetgeving. Zelf heeft Goeman Borgesius als lid van het liberale kabinet Pierson (1897-1901) daarin een belangrijk aandeel gehad. Hij heeft als minister van Binnenlandse Zaken de leerplicht ingevoerd en twee belangrijke wetsontwerpen door het parlement aanvaard gekregen: de Woningwet die een politiek inzake volkshuisvesting mogelijk maakte, en de Wet op het geneeskundig staatstoezicht, uitgangspunt voor een beleid inzake de volksgezondheid.

De politicus die deze wetgeving op zijn naam mag schrijven, sprak niet tot de verbeelding. Hij was trouwens een slecht spreker met een hoge stem. Maar ook zijn biograaf wekt hem niet echt tot leven. Het ontbrak hem aan archiefstukken maar ook aan een op portrettering gerichte discipline. Er wordt veel meer decor beschreven, veel meer de ruimte gekozen van de geschiedschrijving van de liberale stroming en van de grote parlementaire feiten dan dat er gericht op de hoofdpersoon zelf wordt ingegaan; op zijn persoonlijke ervaringen en eigenaardigheden.

Hendrik Goeman Borgesius werd in 1847 in het Groningse dorp Schildwolde geboren als zoon van een huisarts. Hij liet zich vooral op zijn tweede voornaam, Goeman, aanspreken. Tenslotte werd op eigen initiatief deze voornaam officieel toegevoegd aan zijn achternaam Borgesius. Hij studeerde aanvankelijk theologie in Groningen maar liet zich na een jaar overschrijven naar rechten. Na zijn promotie cum laude in 1868 werd hij leraar staatsrecht op de Rijks HBS in Sneek; vervolgens aan de gemeentelijke HBS in Arnhem. Hij bleef maar kort in het onderwijs, maar hij heeft zich wel verbonden aan een school die typerend was voor de nieuwe tijd en voor de nieuwe wetenschap, de Hogere Burger School.

Goeman Borgesius is het prototype van de verlichte liberale burger in het Nederland dat politiek vorm heeft gekregen door de grondwet van Thorbecke (1848). Hij gelooft in de productieve deugd en bepleit de oprichting van coöperatieve volksbanken die de kleine burgerij aan kapitaal kunnen helpen om vooruit te komen. Hij is een vrijzinnig protestant in die typerende combinatie van deftigheid, gebrek aan dogmatische overtuiging en persoonlijke ethiek. Zijn kerk is de Nederlandse Protestanten Bond. Hij is ook geporteerd voor een wetenschappelijke aanpak van wat hem ethisch beweegt: het sociale vraagstuk. De ijver waarmee hij de parlementaire enquête naar de arbeidsverhoudingen nastreeft is mede ingegeven door een voorkeur voor proefondervindelijke bewijzen.

Eind 1871 werd Goeman Borgesius hoofdredacteur van Het Vaderland, de liberale krant in Den Haag. Hij moet vooral zijn uitgekozen wegens zijn intellectuele betrokkenheid bij vraagstukken van staat en maatschappij. Een bijzondere gave voor de journalistiek was in hem niet ontdekt. Hij kreeg in Het Vaderland een podium om zijn liberale ideeën uit te dragen; later kwamen daar columns in de Zutphense Courant en artikelen in het wetenschappelijke liberale tijdschrift Vragen des Tijds bij. Dat laatste is het orgaan van de sociale liberalen, de stroming in het liberalisme die de prioriteit van het sociale vraagstuk deelt met de opkomende sociaal-democratie maar de methoden van strijd en revolutie verwerpt.

Goeman Borgesius doet van zich spreken in de drankbestrijding, maar daarin is hij op een voorbeeldige wijze liberaal en gematigd. Hij keerde zich niet tegen geheelonthouding, maar tegen alcoholische excessen. De Volksbond/Vereniging tegen drankmisbruik, waarvan hij voorzitter was, voerde campagne voor het drinken van bier als een acceptabel middel ter vervanging van zwaardere alcoholische dranken, met name de jenever. De staat moest door een stelsel van vergunningen de consumptie reguleren. Aan de Drankwet, waarin een en ander werd voorgeschreven, heeft hij als parlementslid een bijdrage kunnen leveren.

In 1877 werd de dertigjarige Goeman Borgesius voor het eerst gekozen tot lid van de Tweede Kamer voor het district Winschoten. In de biografie gaat de hoofdpersoon nu schuil achter een uitvoerige behandeling van sociale thema's uit de parlementaire geschiedenis van Nederland. Op het moment van zijn intree in de Tweede Kamer regeert het kabinet Kappeyne van de Copello. Goeman Borgesius volgt dat in zijn onderwijspolitiek. Hij wordt voorzitter van de Nederlandse vereniging Volksonderwijs die ondersteuning biedt aan de openbare school maar ook ouders opwekt om hun kinderen aan het ongedeelde onderwijs te laten deelnemen.

Twintig jaar later wordt hij minister in een van de productiefste kabinetten in de politieke geschiedenis van Nederland. In de decennia na Thorbecke waren de liberalen verscheurd tussen conservatieven en progressieven. Goeman Borgesius behoorde steeds tot de sociale liberalen en bij voorbeeld tot de voorstanders van algemeen kiesrecht. Dat bracht hem tegenover de liberaal Sam van Houten, die hij eerder had bewonderd om diens initiatief van de Kinderwet. Maar de afscheiding van de radicalen uit de liberale hoofdstroom volgde hij niet.

Goeman Borgesius is wel partijvoorzitter geweest, maar een politieke leider werd hij niet. In 1905 mocht hij het liberale maar ook extraparlementaire kabinet formeren, dat geleid werd door de buitenstander De Meester. Hijzelf stapte er niet in en verzuimde zo de kans te grijpen om zijn stempel te zetten op een liberale politiek. Aan het einde van zijn politieke loopbaan stond het voorzitterschap van de Tweede Kamer, dat hem verplichtte tot een bovenpartijdige houding. Een passende afsluiting van een gematigd beroepspoliticus.

In de biografie van Goeman Borgesius is er nogal eens sprake van het voorvoegsel `volks' in zijn wapenfeiten op het terrein van de sociale politiek: hij bevorderde het volksonderwijs, de volksgezondheid en de volkshuisvesting. Anders dan `vader' is hij eigenlijk de belangrijke pleitbezorger en succesvolle wetgever van een beleid, dat gericht is op de kwaliteit van het bestaan voor het gehele volk. In het politieke woordenboek is door en na hem een nieuwe maatstaf ingevoerd.

Bert Wartena: H.Goeman Borgesius 1847-1917. Vader van de verzorgingsstaat. Aksant, 400 blz. €25,–