Feesten zonder muziek

BERLIJN/FRANKFURT a/d ODER. In een riante villa aan de Wannsee woonde voor de oorlog een joodse bankier, tegenwoordig is de villa een huis van de literatuur. Nu en dan steekt de vooruitgang zijn hoofdje onder het puin vandaan. Zo'n huis is ook wat groot voor een bankier alleen. Zoals de paleizen waar de aristocraten woonden voor de Franse revolutie.

In de villa worden lezingen georganiseerd, schrijvers kunnen er een paar maanden zonder betalen wonen, er is een bar, volgens de bedrijfsleider op de plek waar ooit een joods altaar zat. ,,Dat had dus nog wat voeten in de aarde'', zegt hij. Wat dat voor altaar zou moeten zijn weet ik niet, maar het klinkt indrukwekkend.

,,Na de oorlog zat de gemeente met de villa in zijn maag'', zegt de bedrijfsleider, die ook rondleidingen verzorgt. ,,De gemeente was dolblij toen er een literaire bestemming voor werd gevonden.''

Literatuur is onschuldig, en kan daarom op staatssteun rekenen. Een nobel beroep, schrijver, net als missionaris in Afrika, en die missionarissen kauwden ook graag op een fatsoenlijk stuk vlees na tien zwartjes te hebben bekeerd.

,,Loopt het wel eens uit de hand?'' vraag ik, ,,komt het voor dat jullie schrijvers eruit moeten gooien?''

De bedrijfsleider denkt na. Hij is net aan komen rijden op zijn motor, hij woont hier niet, te ver uit de stad, die Wannsee, hij heeft zijn motoruniform nog aan. Het leer is glad.

,,Er wonen hier nu drie, vier Hongaren'', zegt hij, ,,dat gaat prima. We merken wel eens iets van animositeit onder de schrijvers, maar echt uit de hand lopen doet het nooit. Soms hebben ze geboekt voor drie maanden en vertrekken ze na een paar weken, dat wel.''

Op de Wannsee zie ik vier roeiboten. Roeien schijnt goed te zijn tegen overgewicht.

De avond valt, de bedrijfsleider trekt zich discreet terug, hij leidt rond maar woont de lezingen niet bij.

De moderator, een vrouw, een journaliste met een aangename reputatie in Berlijn en omstreken, informeert naar het verschil tussen Nederland en Vlaanderen. In de zaal zitten vijftig zwartjes, ze houden zich stil, ze weten dat ze over minder dan negentig minuten op zoutjes mogen knabbelen.

Literatuur belooft niet het eeuwige leven, wat erg fatsoenlijk van haar is, zij belooft gedeelde pijn. Om die reden schrijf ik zonder gêne na afloop voor een lotgenoot in een boek.

Er zijn twee soorten zwartjes: zij die na de kerkdienst meteen naar huis gaan, blij dat het er weer op zit, en zij die nog wat blijven hangen, al dan niet met betraande gezichten, in de hoop een paar woorden met de priester over het gestileerde lijden te mogen wisselen.

Een dame die zich gehuld heeft in kledij met opzichtige kleuren, zeg maar gerust fosforescerend, informeert of ik belangstelling heb zaterdagavond een feestje bij te wonen in het stadsdeel Neukölln.

Op zaterdagavond leest Cees Nooteboom voor uit zijn gedichten, maar aangezien ik hem al op een borrel op de Nederlandse ambassade te Berlijn hartelijk heb begroet – het gebouw van Koolhaas doet mij sterk denken aan het Vietnam-monument in Washington DC, op elke muur verwacht ik inscripties te zien met namen van gesneuvelde soldaten, een aardig idee: de ambassade als oorlogsmonument, diplomaten die er voortdurend aan herinnerd moeten worden dat diplomatie gedoemd is om te falen, de ware diplomaat is een soldaat – besluit ik op zaterdagavond een taxi te nemen naar Neukölln.

Het adres achterop een stukje krant kan ik maar moeilijk lezen, maar de chauffeur is behulpzaam. Om half elf sta ik voor een huis in een rustige straat. Ik aarzel, ik kan nog terug, maar dan bel ik toch maar aan.

De deur gaat open. ,,Is het adres goed?'' roept de taxichaufeur. Ik knik, en begin de brede trap langzaam te beklimmen.

Ik heb niets bij me, wat niet zo aardig is, een fles wijn was het minste geweest. Uiteindelijk ben ik op de bovenste verdieping, hier moet het zijn, de deur staat half open, ik hoor niet de harde muziek die ik van feesten gewend ben, maar er bestaan natuurlijk ook feesten zonder muziek.

In een keuken aan een eenvoudige tafel zitten vier heren van mijn leeftijd en twee dames. Ze hebben asperges gegeten, zo te zien, ik zie nog wat resten op borden liggen en er staat een pan met aardappelen op tafel.

Een van de heren rookt een pijp.

Ik stel mij voor, er wordt een stoel uit een andere kamer gehaald.

,,De asperges zijn al op'', zegt de meneer met de pijp, ,,maar als je een aardappel wilt...'' Hij houdt mij de pan voor, er zitten nog drie gekookte aardappelen in, ze zijn bestrooid met fijngehakte peterselie.

,,Ik heb al gegeten'', zeg ik, ,,dank je.''

De pijp is uitgegaan en wordt vakkundig weer aangestoken. Uit een andere kamer klinkt muziek, maar je moet stil zijn om haar te kunnen horen.

,,Ik ontmoette jullie vriendin na afloop van een lezing aan de Wannsee'', zeg ik, ,,ik hoorde dat hier vanavond een feest zou zijn.''

,,Er is hier vanavond ook een feest'', zegt de man met de pijp. Een andere man vist met een vork een aardappel uit de pan en begint die langzaam op te eten terwijl hij mij niet onvriendelijk aanstaart.

Misschien waren de gedichten van Nooteboom toch een beter idee geweest.

,,Wat doen jullie?'' vraag ik. ,,In het leven.''

,,Ik ben leraar in Potsdam'', zegt de jongen met de aardappel.

,,Ik werk voor een theatertijdschrift'', zegt een jongen naast hem.

Daarnaast zit een meisje, een beetje een muizig meisje, niet lelijk, wel muizig. ,,Ik werk in Leipzig aan de universiteit. Ik doe onderzoek'', zegt ze. ,,Wil je een biertje?'' vraagt de jongen die leraar is.

,,Als het niet te veel moeite is.''

Hij haalt een biertje uit de koelkast.

,,We komen een keer per maand samen'', zegt de jongen met de pijp. ,,Om Russisch te spreken. We hebben allemaal Russisch op school geleerd, we komen uit de DDR, en om het een beetje levendig te houden, komen we een keer per maand samen en spreken dan Russisch met elkaar.''

,,Oh'', zeg ik, ,,dan ben ik hier niet echt op mijn plaats. Want ik spreek geen Russisch, ik heb het ook niet op school geleerd.''

,,We hebben al een uur of drie Russisch met elkaar gesproken'', zegt het meisje dat verbonden is aan de universiteit van Leipzig. ,,We vinden het niet erg om nu weer over te gaan op Duits.''

De avond verglijdt met gesprekken over boeken en astrologie, ascendanten worden berekend, Siegfried wordt besproken. Rond middernacht staat de jongen met de pijp op en begint bananen te bakken.

In de kleine keuken begint het penetrant te ruiken. Alle aanwezigen zijn nog kinderloos.

Om het eten van de gebakken banaan iets uit te stellen, zeg ik: ,,Misschien kunnen jullie het volkslied van de DDR voor me zingen? Ik weet niet meer hoe het gaat en de kans dat ik het nog ergens zal horen is verwaarloosbaar.''

Dat plezier willen ze me doen. Uit pure gastvrijheid wordt de Internationale er nog aan vastgeplakt.

Daarna verklaar ik dat ik naar huis moet, de volgende dag moet ik met de Berlijn-Warschau-Expres naar Frankfurt a/d Oder. De verworpenen der aarde zijn voor vanavond wel weer genoeg wakker geschud.

Men brengt mij naar de deur. Ik laat de feestvierders achter met een licht schuldgevoel omdat ik mijn gebakken banaan heb laten staan.

,,Als jullie ooit in New York zijn, moeten jullie me bellen, dan gaan we iets leuks doen'', zeg ik in het trappenhuis. ,,Jullie mogen de hele avond Russisch praten. Bij gebrek aan betekenis gaat alles om muziek.''

In Frankfurt a/d Oder bezoek ik het graf van Heinrich von Kleist. Aan de oever van de Wannsee schoot hij zichzelf en zijn verloofde, Henriette Vogel, dood, nadat Vogel Kleist langdurig had gesmeekt haar uit haar lijden te verlossen.