Ethici, onthaast!

De bio-ethiek heeft de ethiek nieuw leven ingeblazen. Niet dat die filosofische discipline om vragen verlegen zit, maar wel is het zo dat ethische vragen opeens niet meer zo abstract bleken. `Wat is goed om te doen?' wordt een concrete vraag wanneer het over je eigen chirurgische operatie gaat. Medisch-ethische commissies verrezen als paddestoelen uit de grond.

Is het medisch handelen nu ook ethischer, beter geworden? Daar denken ze in verschillende landen heel anders over. Zo schrijft Herman de Dijn in zijn onlangs verschenen essaybundel Taboes, monsters en loterijen: `Inzake euthanasie [...] hebben rechters, commissies van experts en medische tuchtcommissies in Nederland er geen moeite mee om vanuit ``evidente'' principes als het recht op autonomie de ``zelfbeschikte dood'' – ook van gezonde mensen die het niet meer zien zitten – goed te keuren! Hetzelfde dreigt nu ook in België te gebeuren.'

Dit citaat komt uit een essay over toegepaste ethiek, waarin De Dijn stelt dat die ethische commissies eerder tot verslechtering dan tot verbetering hebben geleid. `Allerlei levenssferen zijn vertechniseerd', aldus De Dijn. In plaats van de opmars der techniek `in vraag te stellen' lijkt de toegepaste ethiek die als een neutraal gegeven te beschouwen.

De toegepaste ethiek gaat er van uit dat ethische problemen er zijn om op te lossen. De Dijn houdt daarentegen een pleidooi voor onthaasting van het ethisch debat, tegen `de idolen van de tijd'. Ethici zouden zich eerst moeten afvragen of ze eigenlijk wel met die problemen geconfronteerd willen worden. Dat betekent dus dat ethici de voortgang van de techniek kritisch moeten bekijken en desnoods tegenhouden.

`Conservatief', zo mag je de opvattingen van De Dijn over techniek en bio-ethiek wel noemen. Daaraan bestaat in het debat over bio-ethiek behoefte. Het zou goed zijn wanneer iemand eens kritisch naar de ethiek van medisch-technische ontwikkelingen kijkt. Dat moet dan wel gedetailleerd en geval voor geval gebeuren, want die ontwikkelingen zijn zo divers dat ze niet over één kam geschoren kunnen worden. Om maar eens iets te noemen: met verfijnde microscopische operatietechnieken lijkt niets mis te zijn, terwijl klonen voor genetische diagnostiek voorafgaande aan implantatie van in vitro bevruchte eicellen controversieel is.

Het penseel van De Dijn is echter niet zo fijn. Met grote halen schildert hij de vooruitgang van de techniek af als een bedreiging voor de menselijke waardigheid. Hij ziet in de westerse samenleving een toenemend gebrek aan moreel besef, hetgeen hij wijt aan de ethiek van het sentimentalisme. Wat hij daarmee bedoelt blijft gissen. Hij schrijft: `De kern van het sentimentalisme is de reductie van fundamentele menselijke ondernemingen, zoals de ethische, tot iets dat veel simpeler is: het streven naar de aanwezigheid of afwezigheid van bepaalde gevoelens.' Deze omschrijving van zijn opponent is ruim en dat heeft tenminste twee consequenties. Ten eerste dat zijn eigen positie even onduidelijk blijft als die van degene tegen wie hij zich afzet. Ten tweede, dat op die plaatsen waar De Dijn zijn eigen opvatting wèl preciseert hij volgens zijn eigen definitie een sentimentalist is. Bijvoorbeeld: `Een ethiek die niet geworteld is in attitudes als eergevoel of medelijden, [...] is op los zand gebouwd, alle rationalisering en fundering ten spijt.'

Door dergelijke vaagheden en tegenspraken is dit boek niet veel meer dan het verkondigen van een mening en derhalve slechte filosofie. Dit is een conservatief manifest waarin simpelweg gesteld wordt dat ethiek een nauwe band moet aangaan met religie, zonder dat hiervoor ook maar het begin van een rechtvaardiging wordt gegeven.

Herman de Dijn: Taboes, monsters en loterijen. Pelckmans/Klement, 159 blz. €15,95

    • Menno Lievers