De Muur werd weer een streep

In de succesvolle film Good Bye, Lenin! doet een jongen anno 1990 alsof de Berlijnse Muur nog niet gevallen is, om zijn zieke moeder een mogelijk fatale shock te besparen. Wanneer in het zicht van haar ziekbed een groot Coca-cola spandoek wordt uitgerold, zegt hij dat Coca-cola een door het Westen geannexeerde DDR-vinding is. Al doende belichaamt hij het geloofsmechanisme van communistische heilstaten. Het doet er niet toe wat uw ogen zien. De partij schrijft voor wat werkelijkheid is, en u doet er goed aan die lezing niet in twijfel te trekken.

Good Bye, Lenin! is `een film over dingen' genoemd, en inderdaad spelen Spreewald-Gurken en algehele lelijkheid een grote rol. Zozeer, dat voordat je het weet de boodschap blijft hangen dat de DDR een tijdperk van ludiek antidesign was, en de pijn van Ossi's niet meer dan die om een verloren illusie.

Daarom zouden alle bezoekers van die film het indrukwekkende Stasiland moeten lezen, waarin de 37-jarige Australische Anna Funder levensverhalen uit de DDR heeft opgetekend – verhalen van daders en slachtoffers en uit het grijze gebied tussen die twee. Funder begint haar project in Berlijn in 1996, zeven jaar na de val van de Muur, het hoogtepunt van de jaren negentig. De DDR lijkt al vergeten, `Ossi's' moeten `Wessi's' worden, en daarmee uit. Bovendien, zo zeggen Funders West-Berlijnse vrienden, wat valt er te vertellen? De Ossi's hebben vijftig jaar in een vergissing geleefd, en naderhand wilden ze een televisie.

Maar Anna Funder laat zich niet van haar stuk brengen. Via de verhalen van voormalige Oost-Duitsers krijgt ze als door een konijnenhol langzaam maar zeker toegang tot een land dat is uitgewist. Ze vindt er alle gradaties van haat en heimwee, van woede, pijn en nuchterheid, van de noodzaak én de onmogelijkheid van vergeten. Evenmin als Wolfgang Becker, regisseur van Good Bye, Lenin!, kan Anna Funder het armetierige DDR-uiterlijk weerstaan, de voorkeur voor linoleum en `nucleaire mosterdkleuren'.

Limousine

Ze is ook niet ongevoelig voor de even sinistere als lachwekkende details van het communistische werkelijkheidsdictaat. Als Erich Honecker ergens een bezoek bracht, werden huizen tot aan de eerste verdieping geschilderd, precies zover als hij vanuit zijn limousine kon zien. In de Runde Ecke in Leipzig, de Stasi-afdeling waar de revolutie in de herfst van 1989 begon, liggen de dozen met snorren en pruiken uitgestald naast de handtassen met ingebouwde microfoons. Met trieste verbazing schrijft Funder over de Lipsi, een hippe, `heuploze' dans die de partij bedacht als antwoord op westerse rock 'n' roll. Een rage als staatsdictaat, `a dance invented by a comittee.'

Helaas behelst de Stasi behalve `uitgezaaide bureaucratie' met ridicule trekjes, geleid door een stel `Marxisten-Senilisten' ook de doden bij de Muur en de Hohenschönhausen-gevangenis, waar gevangenen met ijswater gemarteld werden. `Ik ben op een plek geweest' schrijft Funder, `waar dat wat gezegd werd niet echt was, en wat echt was niet was toegestaan, waar mensen achter deuren verdwenen van wie nooit meer iets gehoord is, of vanwaar ze naar andere oorden werden gesmokkeld.' Met één informant op elke 63 DDR-burgers was de Stasi anderhalf keer zo groot als het leger. Naast bedreiging, chantage, opsluiting, marteling en dood was stilstand de frequentst benutte straf. Wie niet meewerkte, werd simpelweg uit zijn leven gezet – niet studeren, geen werk, relaties kapotgemaakt.

Bij gebrek aan bewegingsvrijheid namen burgers hun toevlucht tot `innerlijke emigratie'. De `Maur im Kopf', schrijft Funder, slaat niet alleen op de Oost-West scheiding die nog altijd gevoeld wordt, het slaat ook op deze innerlijke erfenis waar voormalige DDR-burgers in elk geval bij haar bezoek in 1996 niet overheen kunnen stappen.

Toeristen

In 2000, als Funder terugkeert in Berlijn, lijkt het met sommigen iets beter te gaan. Hagen Koch, de man die in 1961 als nauwelijks ontgroende Stasi-rekruut met een blik verf en een kwast door de straten van Berlijn liep om de lijn te tekenen waarlangs de Muur gebouwd zou worden, leidt nu langs diezelfde lijn toeristen rond. Maar Miriam, de vrouw die als zestienjarige scholier in een opwelling besloot de Muur over te gaan en die vervolgens de rest van haar jeugd in eenzame opsluiting doorbracht, kan niet verder. Ze wacht op het dossier van haar man, die onder verdachte omstandigheden omkwam in een Stasi-cel en wiens dossier in 1989 is versnipperd. Funder bezoekt de uithoek waar veertig man werken aan de reconstructie van dat dossier. Het duurt, rekent ze uit, nog 375 jaar voordat de vijftienduizend zakken snippers aan elkaar gepuzzeld zullen zijn.

Anna Funders open, gevoelige verslaggeving is mede zo toegankelijk doordat ze zichzelf niet buiten haar boek houdt. Wat heet, haar slordige leven in Berlijn, haar onvermogen soms om te bevatten wat ze hoort, zelfs haar katers deelt ze met de lezer. Het stoort niet, al deze persoonlijk informatie. Funder is meer dan `Alice in Stasiland'. Niet alleen is ze open over de muren in haar eigen hoofd, ook geeft haar aanwezigheid reliëf aan het boek; al lezend ervaar je de culturele botsing tussen een onbekommerde Australische en de mensen die zich proberen te ontworstelen aan de lamgeslagen angstcultuur die hen heeft voortgebracht. In de ogen van buitenstaanders lijkt de DDR-wond na vijftien jaar geheeld tot een keurig litteken van nostalgische humor. Stasiland laat zien hoezeer die indruk een vergissing is.

Anna Funder: Stasiland. Uit het Duits vertaald door C. Kloos. Ambo, 319 blz. €24,95

    • Maartje Somers