De echte schrijver komt niet uit zijn woorden

Elke ochtend vanaf vier uur noteerde de Franse schrijver Paul Valéry zijn gedachten over kunst en politiek, wiskunde en erotiek. Hij liet een schat aan stimulerende ideeën na, voor vaklieden en voor hen die van kunst en literatuur méér verlangen dan enkel amusement.

Het verhaal is bekend, maar voor wie moeite heeft om 's ochtends uit zijn bed te komen blijft het huiveringwekkend. Elke ochtend op vier uur stond de Franse dichter Paul Valéry op, om vervolgens tot zeven uur-half acht in zijn Cahiers te schrijven. In 1894 was hij ermee begonnen en tot aan zijn dood in 1945 hield hij deze gewoonte vol. Het was een vorm van denken met de pen in de hand, in volstrekte eenzaamheid, zonder rekening te houden met een lezerspubliek. Een `autodiscussion infinie', een eindeloos gesprek met zichzelf.

Valéry's doel was de werking van de menselijke geest te verkennen. Niet in abstracto, maar proefondervindelijk, aan de hand van zijn eigen denken. Dit levenswerk resulteerde in 261 volgeschreven cahiers, met in totaal meer dan 26.000 bladzijden tekst. In de jaren vijftig is er een facsimile-editie van verschenen; een tekstkritische editie wordt momenteel uitgegeven. Het meest toegankelijk is vooralsnog de selectie in de Pléiade-reeks: twee forse delen, waarin Valéry's notities niet in de originele vorm zijn afgedrukt, dat wil zeggen kriskras door elkaar (want de dichter liet zijn gedachten in die vroege uren alle kanten opgaan), maar geordend in aparte rubrieken.

Hoofdwerk

De rubrieken zijn afkomstig van Valéry zelf. Hij beschouwde zijn Cahiers als zijn geheime hoofdwerk en heeft zijn leven lang rondgelopen met het idee ze op de een of andere manier uit te geven. Had ik maar `drie slaven of eunuchen', verzuchtte hij ooit in een brief, één om de notities voor te lezen, één om te zeggen of ze te begrijpen zijn, en één om ze uit te typen. Uiteindelijk kwamen er diverse secretaressen om de inmiddels met zijn poëzie en essayistiek wereldberoemd geworden Valéry te assisteren, maar van de geplande uitgave kwam alleen de indeling in diverse rubrieken tot stand.

Hieruit heeft Maarten van Buuren nu drie rubrieken (overgenomen uit de Pléiade-editie) geselecteerd en vertaald onder de raadselachtige titel De macht van de afwezigheid. De eerste twee (`Kunst en esthetica' en `Poëtica') hangen nauw met elkaar samen, maar de derde (`Geheugen') snijdt een heel ander onderwerp aan en geeft aldus een vermoeden van de enorme reikwijdte van Valéry's gedachten, die zich beslist niet tot kunst en literatuur hebben beperkt. Ook zijn er tal van notities over bijvoorbeeld filosofie, wiskunde, natuurwetenschap, politiek, psychologie en zelfs erotiek.

Wat dit laatste betreft: zijn onderzoek naar de menselijke geest stond uitdrukkelijk óók in het teken van de beheersing van zijn persoonlijke driften door het verstand. Hiertoe zou Valéry besloten hebben tijdens de `staatsgreep' (zoals hij het zelf noemde) die plaatsvond te Genua in de nacht van 4 op 5 oktober 1892. Dankzij onweer en slapeloosheid was de 21-jarige toen naar eigen zeggen een `ander' geworden. Niet langer de overgevoelige, naar het mystieke neigende en op een onbereikbare vrouw verliefde dichter, maar het zelfbewuste, gedisciplineerde en autonome brein, waarmee we in de Cahiers kennismaken.

`Ik maakte mij tot de vijand van het tedere, uit alle macht van mijn wanhopige tederheid', schreef Valéry na deze beslissende `nacht in Genua'. In zijn opvattingen over kunst en literatuur vinden we er de neerslag van, getuige de manifeste afkeer van alle romantische gevoeligheid, enthousiasme en inspiratie. Kunst en poëzie krijgen eerder iets wetenschappelijks, iets wat met beleid en strategie tot stand dient te komen. Tegenover `het platte concept dat bekend staat onder de naam genie' stelt Valéry liever de `literaire arbeid' als `calculus'.

Vanzelfsprekend ziet hij niets in emotionaliteit als inspiratiebron: `Met een goed hart maak je geen goede verzen'. Lezers die toch zoiets van de dichter verwachten doen hem denken aan lieden die van de bouwer van een locomotief verwachten dat `hij zelf voortraast met een snelheid van 110 kilometer per uur'. En Valéry gaat nog een stapje verder, door principieel aan de `vorm' de voorkeur te geven boven de (gevoels)inhoud. Omdat zo de beste resultaten kunnen worden geboekt.

Onder die resultaten verstond Valéry overigens niet in de eerste plaats het voltooide kunstwerk. Veel belangrijker vond hij het maken ervan, het proces van de creatie, dat nooit echt voltooid kon worden; er kwam hooguit toevallig, van buitenaf, een eind aan. Het kunstwerk dat zo ontstond, vergeleek hij veelzeggend met `de huid die door een dier is afgelegd, het web van een spin, een schelp of verlaten slakkenhuis, een cocon'. Alsof het nauwelijks een zelfstandig leven bezat.

Het paradoxale is echter dat Valéry zulke kunstwerken juist wèl als zelfstandige of autonome entiteiten placht te bezien. Een mooi kunstwerk heeft geen `nut' en is zichzelf genoeg; het is een `gesloten ding. Woordloos stralend'. De paradox komt voort uit het verschoven perspectief. Het maakt immers verschil of de aandacht zich concentreert op het kunstwerk en zijn receptie of op het creatieve proces. In het laatste geval ligt alle nadruk op wat de kunstenaar zelf van zijn scheppen verwacht, niet op wat het publiek met zijn afgestoten schepping aanmoet.

Voor de kunstenaar (daar laat Valéry geen enkele twijfel over bestaan) telt alleen het maken; het gaat erom verrast en verbaasd te worden door wat je zelf voortbrengt. De creatie staat in het teken van de verandering – `het kunstwerk verandert de maker', zegt Valéry, en daar is het hem om begonnen. Geest of esprit is volgens Valéry niet een stabiele constante, maar eerder een vermogen tot verandering, een permanente beweeglijkheid, die zich in daadwerkelijke transformaties bewijst.

Hierin ligt ook de betekenis van zijn nadruk op de formele aspecten van de kunst. Wanneer Valéry keer op keer betoogt dat vorm belangrijker is dan inhoud, dan heeft hij deze beweeglijkheid van de geest op het oog. Want juist de strikt formele regeldwang brengt de geest op paden die hij anders nooit zou hebben betreden. Verrast worden door wat je zelf maakt lukt het best als je het heft uit handen geeft en je gewillig schikt naar formele en zelfs volstrekt willekeurige principes of uitgangspunten. Omdat organismes binnen vergelijkbare grenzen groeien, noemt Valéry deze `kunstmatige' aanpak zelfs het meest `natuurlijk'.

Prikkelend

Ook dat is een paradox. Van zulke paradoxen wemelt het in de Cahiers. Het was Valéry's manier om zich te verzetten tegen de gangbare opvattingen, betoogt Maarten van Buuren in zijn boeiende inleiding. Voor de lezer zorgen deze paradoxen voor de meest prikkelende uitspraken, vaak ook in strikt literair-esthetisch opzicht.

`Het volmaakte vereist het onvoltooide', schrijft Valéry, waarmee hij bedoelt dat ook de lezer of toeschouwer een geslaagd kunstwerk nooit kan uitputten. Of: `De echte schrijver is iemand die niet uit zijn woorden komt' – en dus op zoek gaat en al zoekend betere vindt. Ook heel fraai is een aforistische uitspraak als: `toeval is de vrijheid van de dingen', of over het geheugen: `Het geheugen is de toekomst van het verleden'. Je kunt er lang over nadenken, al is mij niet in alle gevallen het juiste begrip ten deel gevallen. Wat bijvoorbeeld te denken van deze intrigerende zin: `Het ideaal van de muziek is niet ver verwijderd van de onverdraaglijke almacht van de natte vinger op de ruit'?

Het zal duidelijk zijn dat hier hoge eisen worden gesteld aan de vertaler. Maarten van Buuren heeft zich met succes van zijn taak gekweten, zodat Valéry's `ochtendlijke hersengymnastiek' nu ook in het Nederlands scherp en concies klinkt. Binnenkort kan men trouwens Van Buurens prestatie vergelijken met die van Jan Fontijn, want in zijn recente essaybundel Kijk naar de vis heeft Fontijn een eigen vertaling aangekondigd van een deel van de Cahiers.

Zoveel aandacht, waarbij hopelijk doublures zullen worden vermeden (wat makkelijk kan gezien de overvloed aan materiaal), is meer dan terecht. Kunstenaars, schrijvers en critici vinden in deze notities een schat aan stimulerende ideeën. Valéry exploreert de hoeken en gaten van hun métier op een manier die zijn weerga niet kent en die op geen enkele manier verouderd aandoet. Voor de vaklieden zou dit verplichte literatuur moeten zijn. Maar eigenlijk geldt dat net zo goed voor gewone lezers en kunstliefhebbers, mits zij bereid zijn hun hersens niet te sparen en van kunst en literatuur méér verlangen dan enkel amusement.

Paul Valéry: De macht van de afwezigheid. Vertaling en inleiding Maarten van Buuren. Historische Uitgeverij, 275 blz. €24,95