Cacao heeft Fengolo in tweeën gespleten

Rechts wonen de allochtonen, links de autochtonen. De kloof wordt steeds groter sinds een politieke crisis Ivoorkust verdeelt.

Het is niet moeilijk om in Fengolo, een dorp van grofweg drieduizend inwoners, wegwijs te raken. Midden door het dorp loopt een asfaltweg die naar de grote stad leidt. Aan de westkant van het asfalt wonen de autochtonen. Aan de oostkant wonen de allochtonen. Je kunt het onder meer aan de bebouwing zien. De autochtonen hebben stenen huisjes. De allochtonen hebben hutten van leem. Tussen de autochtonen en de allochtonen van Fengolo botert het niet. Ze haten elkaar.

Het begon allemaal met de cacaoboomgaarden. De allochtonen vestigden zich hier vijfentwintig jaar geleden om plantages aan te leggen. De landbouwgrond kochten ze van de autochtonen. Ivoorkust is de grootste cacaoproducent ter wereld, maar de meeste plantages – boomgaarden eigenlijk – zijn klein. De plantages van Fengolo liggen aan de westkant van het dorp. De allochtonen moeten eerst door de autochtonenwijk. En dat buiten de autochtonen uit. Er wordt tol geheven voor zandpaden waar een boomstam overheen is gelegd. De oorspronkelijke eigenaars van de grond verwachten bovendien financiële bijdragen voor huwelijken en begrafenissen.

Vorige maand ging het mis toen een groepje jongeren niet werd doorgelaten. Het dorpshoofd, een autochtoon, werd door de migrantenzonen van de oostkant gegijzeld en op een bankje onder een mangoboom gezet. De handen van de oude baas waren vastgebonden, hij had een klap gekregen. In Afrika is het dorpshoofd een notabele die met eerbied tegemoet getreden wordt. Die sla je niet. Nooit.

De Franse interventiemacht die in deze regio de vrede bewaakt moest tussenbeide komen. De autochtonen zijn nog steeds woedend. Volgens hen lopen er hier te veel vreemdelingen rond. Maar de allochtonen hebben nergens spijt van. Genoeg is genoeg, zegt hun woordvoerder Diéka Ouattara. We worden nu eindelijk met rust gelaten als we naar onze plantages gaan.

Tekort aan vruchtbare landbouwgrond is een bron van etnische en politieke spanning in Ivoorkust. Waar dorpsnotabelen het vroeger altijd weer eens wisten te worden, heeft een burgeroorlog het wantrouwen tussen autochtonen en allochtonen alleen maar aangewakkerd. Het land is in tweeën verdeeld sinds rebellen anderhalf geleden een mislukte staatsgreep pleegden. En dat dreigt de allochtonen duur komen te staan. Ze vormen ruim een kwart van de bevolking.

Het landbouwbeleid van president Houphouët-Boigny, die na de onafhankelijkheid in 1960 ruim dertig jaar regeerde, was even simpel als effectief: de grond was voor degene die hem bebouwde. Daarmee lokte hij miljoenen gastarbeiders uit de droge, noordelijke Sahel-landen, die de cacao produceren die Ivoorkust welvaart bracht. Tegelijkertijd trokken duizenden noordelijke Ivorianen naar het vruchtbare zuiden, waar zij meestal per mondelinge afspraak grond opkochten van autochtone stammen als de Bété en de Guéré.

Hoewel zij in Ivoorkust geboren zijn, worden de noorderlingen allochtonen genoemd. Zij voelen zich verwant met de immigranten, die dezelfde lingua franca spreken en van jongs af aan gewend zijn om de handen uit de mouwen te steken.

Eind jaren tachtig stortten de cacaoprijzen op de wereldmarkt in. De Ivoriaanse economie raakte in het slop. Opportunistische politici gaven `de buitenlanders' de schuld van de malaise. Autochtonen en allochtonen gingen steeds vaker met elkaar op de vuist. Conflicten die in verscheidene dorpen culmineerden in het wegjagen van de complete allochtone bevolking. Veel autochtonen voelen zich gesteund door president Laurent Gbagbo, die een Bété is.

Na een mislukte staatsgreep door noorderlingen in september 2002 is de vreemdelingenhaat toegenomen en de strijd verbetener geworden. Het meest recente bloedbad dateert uit maart. Net als in Fengolo ging het om een tegenaanval. Allochtonen die net na de cacao-oogst van hun plantages waren verdreven namen wraak op de dorpelingen die in hun hut waren gaan wonen en hun cacao hadden verkocht. Met kapmessen slachtten ze elf mensen af.

Op het eerste gezicht doet niets in Fengolo vermoeden dat het hier ooit zover zal komen. Ruimte genoeg voor iedereen, zou je zeggen. Toch krijgen de autochtonen, de westelijke Guéré, het gevoel dat ze zo langzamerhand onder de voet gelopen worden. Ze denken dat de allochtonen samenspannen met de rebellen. Het is duizend tegen tweeduizend: de Guéré zijn in de minderheid.

Victor Diegaï, de secretaris van het dorpshoofd, zegt dat hij helemaal niemand meer vertrouwt. ,,Zij van de overkant [de allochtonen] zeggen dat ze naar hun plantages gaan om te werken, maar ik zie niet in waarom wij hun niet mogen vragen zich eerst te identificeren.'' Naast hem hangt het dorpshoofd vermoeid in een houten stoel, hij zegt niets, hij spreekt geen Frans.

Het contrast met de woordvoerder van de allochtonen is opmerkelijk. Diéga Ouattara zit gemoedelijk rokend onder dezelfde mangoboom waar het dorpshoofd vorige maand naartoe gesleurd werd. Tanden heeft hij niet meer, maar armspieren des te meer. De allochtonen nemen het lot in eigen handen, zoveel is duidelijk. Ik heb net honderd hectare cacao aangeplant, zegt Ouattara. Om maar te zeggen: ik ga hier niet weg.

,,Als we naar onze plantages gaan, laten we twintig man achter om onze vrouwen en kinderen te beschermen'', zegt Ouattara. Maar bang? ,,Nee. Weet u, wij noorderlingen zijn niet bang.''